in ,

Aan de slag in de studio: deze lichtopstelling moet je kennen

Met twee lampen kun je elke sfeer bij een portret toveren, van zomers vrolijk tot een donkere ‘moody’ look. Portretfotografie met meer dan één lamp roept bij een beginner veel vragen op. Waar zet je die lampen neer? Zitten de schaduwen elkaar niet in de weg? Hoe verdeel je de lichtintensiteit tussen de lampen en welke lichtvormers gebruik je? We leggen het je allemaal uit.

Het starten met fotograferen met een studioflitsset kan best lastig of misschien zelfs wel wat eng zijn. Zet je angst opzij en ga lekker testen! Zoek een bekende die wel je proefpersoon voor de camera wil zijn, of start desnoods met een paspop. Een levend proefpersoon is vaak wel leuker en handiger. Zo leer je ook gelijk om aanwijzingen te geven en vanuit jouw eigen idee samen een beeld te creëren.

Eerst één lamp

Het is dan natuurlijk erg verleidelijk om als je een nieuwe shoot begint meteen beide lampen aan te zetten. Toch kun je beter die lampen gefaseerd inschakelen. Als je met twee ingeschakelde lampen start, zul je in het begin moeilijk kunnen inschatten welk licht nu van welke lamp op je model valt. Er is namelijk vaak strooilicht dat via de wanden op je model reflecteert.

We gaan daarom eerst aan de slag met onze basisopstelling. De werkwijze om te leren werken met meerdere lichtbronnen in een studio, is bij elke lichtopstelling hetzelfde. Je start met alleen het hoofdlicht, stelt daarna alleen het tweede licht in, om ze tot slot samen te kunnen gebruiken.

Begin met alleen je hoofdlicht in te stellen, net zolang totdat je daar tevreden over bent. Denk niet alleen aan de intensiteit van je flitslicht, maar natuurlijk ook hoe je schaduw valt. Schaduwen maken je portret. Vaak werkt een hoofdlicht onder een hoek van 45 graden en een stukje van de bovenkant al heel goed. Varieer zoveel mogelijk wat bij jouw model het mooiste en meest plastische licht geeft.

Zet dan je hoofdlicht uit en schakel je effectlicht in. Piel opnieuw net zo lang tot je ook met dat licht tevreden bent. Heeft je camera een selfiescherm, dan kun je daarmee van een afstand zien hoe het licht op je model valt. Misschien heb je zelfs wel een externe monitor op je camera aangesloten. Dan kun je nog makkelijker en groter zien wat het licht op je model doet. Zonder dat je daarvoor fysiek achter je camera hoeft te staan.

Sfeer

Met één lamp kun je al een heel mooi portret schieten, met twee lampen kun je nog veel beter een sfeer creëren. Die sfeer bestaat vaak uit een contrast tussen die twee lichtbronnen. Een zacht hoofdlicht met een hard haarlichtje. Een warm frontaal licht met een koele achtergrond. Een hard-tegenlichtportret met een zacht invullichtje.

Je kunt de meeste studioflitsers bijna traploos dimmen, zowel in flitsvermogen als met het instellicht. Wil je nog meer of minder licht, dan kun je natuurlijk ook gewoon je lampstatief dichterbij of verder weg schuiven. De lichtopbrengst verandert, net als met je diafragma, exponentieel.

Newborns fotograferen? Zo hou je het beste rekening met de veiligheid

Compositietips in de praktijk: architectuurfotografie