in

Aan de slag met je flitser: tips om te flitsen bij landschapsfotografie

Waarom zou een landschapsfotograaf flitsen?

De landschapsfotograaf gaat op pad bij het eerste en laatste licht van de dag. De contrasten zijn dan klein en het lage zonlicht geeft warme kleuren en lange schaduwen. Op die momenten is de lucht meestal een stuk helderder dan de voorgrond. Een setje grijsverloopfilters is dan hard nodig om de lucht en de voorgrond in balans te brengen. Zonder die filters zou de lucht te helder worden of de voorgrond te donker. Het dynamisch bereik van de camera is de beperkende factor.

Maar wat nu als het contrast in enkel de voorgrond ook nog eens te groot is? We geven een voorbeeldje: het lage zonlicht valt over een prachtig heideveld. Vooraan in je compositie bevindt zich prominent in beeld een mooie heide-pol … met een grote schaduwzijde. Dat grote donkere vlak is helaas een opvallend onderdeel van je foto. De blik van de kijker gaat er automatisch heen en dat wil je niet. Door die voorgrond heel licht in te flitsen, haal je de donkere afleiding weg en kijkt de foto veel rustiger.

Omgekeerd kan ook bij een te laag contrast de flitser uitkomst bieden. Stel dat er in een voorgrond vol kleine dennenboompjes eentje is die net iets anders van vorm is. Dat boompje valt niet op tussen de rest, maar als je de flitser er subtiel op richt, komt het boompje net iets helderder op de foto en gaat de aandacht van de kijker er als vanzelf naartoe.

Dat geldt ook voor een dode boom die als silhouet verschijnt als je ’s ochtends tegen de zon in fotografeert. Plaats een draadloze flitser net onder de boom en flits deze voorzichtig in, waardoor er net wat meer structuur en details in de boom te zien zullen zijn.

In het donker

Een andere situatie waarin een flitser bij landschapsfotografie goed van pas komt, is bij astrofotografie. Een foto van enkel de sterren of de Melkweg is niet zo spannend, net zomin als een foto van een mooie lucht dat is. Je hebt net als in elke foto een goede compositie nodig en een voorgrond die het oog naar de nachtelijke lucht leidt. Vaak is dat een dode boom of een mooi gebouw. Tegen de duistere hemel valt zo’n onverlicht onderwerp compleet weg, dus je zult het zelf moeten aanlichten. Dat kan met een zaklamp of een (draadloos aangestuurde) flitser.


Remon van der Zwaag, remonvanderzwaag.zoom.nl
Sterren: Canon 6D · ISO 5000 · F 2,8 · 20 SEC · 24 MM
Bomen: Canon 6D · ISO 640 · F 2,8 · 20 SEC · 24 MM

De foto is op één van de donkerste plekjes op Texel gemaakt. Camera op statief, en twee foto’s met verschillende ISO-waarden die in de nabewerking over elkaar heen gelegd zijn. Een foto met hoge ISO-waarde voor de sterren, en eentje met lagere ISO-waarde en een extra flits om de bomen mooi te verlichten.

Creatieve voorbeelden

Hiervoor noemden we een paar situaties waarin de flitser nodig is om een bestaand probleem met het licht of contrast op te lossen. Je kunt de flitser echter ook op een creatieve manier inzetten: de flitser is dan weliswaar niet nodig, maar kan wel gebruikt worden om een sfeer neer te zetten die er misschien helemaal niet was.

Spookachtig

Een goed voorbeeld is een mistig bos na zonsondergang. Alles is donker en eigenlijk valt de mist helemaal niet op. Het sfeertje is echter spookachtig en dramatisch en dat wil je graag op de foto overbrengen.

In zo’n geval kun je een flitser op afstand plaatsen, bijvoorbeeld achter een boom, richting de camera. Ondanks dat het donker is, creëer je zo je eigen tegenlicht. Doordat het mistig is, werpen de bomen lange schaduwen in die mist en verschijnen er lange lichtstralen in het bos. Een spookachtig sfeertje is gegarandeerd. Kies bij voorkeur een boom met kronkelige takken, zoals een dode eik. Het enige waar je op moet letten is dat je de flitser uit de foto houdt en dus goed achter een boom plaatst.

Uiteraard moet je in dit geval de flitser van de camera af halen en dus ergens anders neerleggen (of laten vasthouden door een vriend, wel zo fijn als je niet alleen een donker bos in hoeft). Een draadloos aangestuurde flitser is noodzakelijk. Gelukkig zijn daarvoor allerhande betaalbare sets verkrijgbaar. Een alternatief zonder extra technologie is een wat langere sluitertijd te gebruiken, zoals een seconde. Tel hardop af en als de sluiter open staat kan je vriend de flitser met een druk op de knop handmatig af laten gaan. Het spreekt voor zich dat ook die vriend volledig buiten beeld achter de boom moet staan.

Cor vd Waal, Fotografiecor.nl · Sony A900 · ISO 320 · F 7,1 · 1/200 SEC · 105 MM

Cor heeft twee losse opzetflitsers in het hunebed gelegd, waardoor het lijkt alsof de reuzen thuis zijn en er licht brandt. In de nabewerking is wat extra mystiek toegevoegd.

Regen of sneeuw

Een andere situatie is een dag met regen of, nog beter, sneeuw. Als je de sfeer van het moment wil laten zien, en dus de regen of sneeuw wilt tonen, heb je een donkere achtergrond nodig. Tegen een heldere achtergrond vallen de lichte regen en sneeuw immers volledig weg. Heb je geen donkere achtergrond, zoals een bosrand, voorhanden, dan maak je die toch gewoon zelf?

Onderbelicht het omgevingslicht in de foto, zodat de achtergrond donker in beeld wordt gebracht. Introduceer vervolgens de flitser om de sneeuwvlokken in de voorgrond uit te lichten.

Daarbij zijn twee dingen van belang voor het eindresultaat. Ten eerste moet je niet te hard flitsen. De sneeuwvlokken bijten dan uit en dat ziet er zelden fraai uit. Bovendien worden met hard flitslicht te veel vlokken aangelicht, waardoor het beeld heel druk kan worden. Een subtiele flits is dus van belang. Ten tweede werk je best met een open diafragma, een lage F-waarde dus. De sneeuwvlokken nemen namelijk de vorm van je diafragmaopening aan. Bij wijd open diafragma komen de vlokken mooi rond op de foto, bij gesloten diafragma worden het hoekige vlokken. Dat laatste is meestal niet heel fraai.

Varieer de sluitertijd om de achtergrond van helderheid te veranderen zonder dat de geflitste sneeuwvlokken er hinder van ondervinden. En maak genoeg foto’s, want op elke foto verschijnen er meer of minder vlokken, en bovendien steeds op een andere plek. Varieer ook je standpunt, zodat niet elke foto dezelfde achtergrond heeft. Een boom met een krachtige vorm is bijvoorbeeld een prima achtergrond, die net iets meer met de foto doet dan een egaal donker vlak.

Jan Hermans, jannemanneke.zoom.nl
Landschap: Nikon D5 · ISO 16000 · F 16 · 25 SEC · 14 MM
Maan: Nikon D5 · ISO 2500 · F 4,8 · 1/6 SEC · 340 MM

Het landschap is een paar dagen voor de maansverduistering in 2019 gefotografeerd, met een zwakke flits om het bevroren veld extra aan te zetten. De maansverduistering is later vastgelegd, en vervolgens zijn de twee beelden samengevoegd.

Beweging bevriezen

Een derde voorbeeld is het combineren van beweging en bevriezing. Door een flitser te gebruiken, kun je je onderwerp bevriezen, terwijl het onderwerp of de achtergrond tegelijkertijd ook in beweging is. Die beweging kan er al zijn, maar kun je ook zelf introduceren.

Als voorbeeld fotografeer je een stel kaarsrechte bomen in het bos. Je kiest de belichting van het omgevingslicht dusdanig dat een lange sluitertijd van bijvoorbeeld een halve seconde ontstaat. Tijdens de belichting beweeg je de camera in een verticale lijn naar beneden of boven. Zo ontstaan de bekende foto’s van uitgesmeerde bomen die als kaarsrechte, kleurige lijnen op de foto terecht komen.

Introduceer je de flitser, dan heb je de mogelijkheid tijdens de beweging het onderwerp (de bomen) toch scherp af te beelden. De flitser bevriest namelijk heel eventjes het onderwerp tijdens die lange belichting. De flitsoutput bepaalt hoe fel dat bevroren moment in beeld komt, dus speel daarmee tot je een balans krijgt die mooi is.

Vervolgens moet je kiezen of je de flitser aan het begin of aan het einde van de foto wilt laten af gaan. Doe je dat aan het begin, dan zit de bewegingsonscherpte ná het scherpe deel.

Bij onderwerpen die van zichzelf al bewegen (zoals auto’s, mensen of vogels) oogt dat erg raar, net alsof het onderwerp achteruit reed, rende of vloog. De meeste camera’s bieden je de mogelijkheid te kiezen voor flitsen op het tweede sluitergordijn. Hierover heb je eerder al meer geleerd in deze cursus. Zonder er hier verder technisch op in te gaan, betekent het dat de flitser pas aan het eind van de opname afgaat. Het gevolg is dat de bewegingsonscherpte achter het scherp geflitste onderwerp aan komt, en dat oogt een stuk logischer. Als je de flitser los van de camera hebt staan en hem draadloos aan stuurt, kun je overigens meestal niet op het tweede gordijn flitsen.

Beperkingen

Elke vorm van flitsfotografie heeft zijn beperkingen en meestal hebben die te maken met het vermogen van de flitser. Juist in de landschapsfotografie komen die beperkingen extra duidelijk naar voren. De meeste landschapsfoto’s worden namelijk gemaakt met een behoorlijk gesloten diafragma (zoals F 11) en op lage ISO-waarde. Dat betekent dat maar weinig flitslicht op de sensor terechtkomt en dat je veel eerder tegen het maximale flitsvermogen aan loopt. De afstand waarover je flitser nog bereik heeft, loopt hierbij namelijk ver terug. (Denk ter illustratie maar eens aan de mensen die vanaf de Eiffeltoren met het flitsje van hun iPhone heel Parijs proberen uit te lichten.)

Je kunt dat oplossen door het diafragma een stop te openen naar bijvoorbeeld F 8. Qua scherptediepte is dat vaak ook wel genoeg. De ISO-waarde kan op moderne camera’s ook prima naar 400 of zelfs 800 zonder dat je foto eronder lijdt.

Als dat allemaal niet genoeg is, heb je een krachtiger flitser nodig, misschien wel twee. Of je plaatst de flits draadloos een stuk verder in het landschap, dichter bij je onderwerp. Houd hem uiteraard wel buiten beeld.

Iris Otte, iris-otte.zoom.nl, instagram: @iris.otte · Nikon D5500 · ISO 100 · F 8 · 1/20 SEC · 10 MM

Een creatief zelfportret! Iris staat hier met haar man in de Soesterduinen op een late zomeravond. De camera is eerst handmatig scherpgesteld en vanaf afstand bestuurd. De flitser staat op statief achter het stel en is op vol vermogen gebruikt voor een gloed en schaduw. Door de lange sluitertijd zijn de kleuren in de achtergrond nog prachtig aanwezig.

Instellingen

Bij landschapsfotografie, zeker vanaf statief, is het diafragma vaak leidend. Het bepaalt de scherptediepte in je foto en die is van groot belang. De ISO-waarde houd je meestal zo laag mogelijk. De sluitertijd is een resultante van de andere twee en in de meeste gevallen niet van belang. Vanaf statief heb je geen last van bewegingsonscherpte en een lange sluitertijd is dus geen probleem.

Om die reden flits je het liefst in de manuele stand. Staat de flits eenmaal op het juiste vermogen, dan kun je door blijven fotograferen zolang het statief op dezelfde plek blijft staan. De afstand tot het onderwerp verandert niet en ook de ISO-waarde en je diafragmawaarde blijven hetzelfde.

Als het in de ochtend lichter wordt, verander je enkel de sluitertijd om het omgevingslicht goed op de foto te krijgen. En zoals je inmiddels weet, heeft de sluitertijd geen enkele invloed op de flitsbelichting.

Subtiliteit

Een laatste tip over flitsen in de landschapsfotografie: wees subtiel. Waar je in de studiofotografie of straatfotografie nog wel weg kunt komen met dramatisch geflitste foto’s, zien we landschappen het liefst sereen en rustig. Of je de flitser nu gebruikt om een schaduw in de voorgrond op te lichten, om een voorgrondonderwerp net iets meer de aandacht te geven, of als creatief middel: wees terughoudend. Een vuistregel is dat je goed hebt geflitst als niet direct opvalt dát je hebt geflitst.

Cor vd Waal, fotografiecor.nl · Sony A900 · ISO 100 · F 5 · 1/400 SEC · 250 MM

Hier is subtiel gebruikgemaakt van strobist-technieken (flitser los van de camera) om de tulp mooi uit te lichten. Echter: het had zó zonlicht kunnen zijn!

Tip voor je creativiteit – Gebruik je objectieven eens anders!

Tips om met je smartphone huisdieren te fotograferen