in

Alles wat je moet weten over wildlife fotografie: wild van eigen bodem

Bij het fotograferen van wilde dieren denkt menigeen direct aan verre en niet zelden tropische oorden. Maar ook ons eigen land heeft meer te bieden dan je misschien denkt! We vertellen wat de beste locaties zijn en hoe je dit onderwerp het beste kunt benaderen, zodat je met mooie fotografische jachttrofeeën thuiskomt.

Voor aansprekende foto’s van dieren in het wild biedt Nederland ongekende mogelijkheden. Dit komt door de enorme variëteit aan verschillende typen landschappen, zoals bos, wadden, watergebieden en uiterwaarden. Zelfs dicht bij huis, in onze steden, vind je tal van fotogenieke soorten. Tot op heden zijn in Nederland meer dan vijfhonderd vogelsoorten bekend. Ook hebben we fotogenieke zoogdieren zoals damherten en edelherten in natuurgebieden rondlopen. En wist je dat de Europese bizon ook in Nederland weer aanwezig is? Sinds een aantal jaren leeft deze reus onder de zoogdieren in de duinen ten westen van Haarlem. Tal van prachtige dieren binnen handbereik dus, en een echte uitdaging om ze te fotograferen!

Kennis van dieren

Om dieren in het wild goed te kunnen fotograferen, is het wel een must om je in de leefwijze van de soort te verdiepen. Waar leven ze? In welke periode van het jaar laten ze zich beter observeren? En hoe kun je ze dicht genoeg benaderen zonder ze te verstoren? Door in de literatuur te duiken, het internet te raadplegen of contact te zoeken met een deskundige kun je je kennis van een soort verbeteren. Veel diersoorten zijn meestal het actiefst in de vroege uren.

Uiteraard is het ook goed om het leefgebied te leren kennen. En dan is het handig om eerst een bepaalde diersoort in een leefgebied in je woonomgeving uit te kiezen. Zo kun je vaker dit gebied bezoeken en ook de gedragingen van het dier beter leren kennen. Je zult zien dat dit betere resultaten oplevert dan wanneer je lukraak achter iedere soort aan rent.

Foto: Harry de Groot

Damherten in de bronst

Damherten komen in het wild voor op de Veluwe en in het duingebied. Ze zijn kleiner dan edelherten, met een schofthoogte van 110 centimeter. Op de Veluwe zijn ze donker tot zwart, en in het duingebied hoofdzakelijk roodbruin met witte vlekken. De mannetjes dragen een prachtig schoffelgewei, dat in april wordt afgeworpen en ook meteen weer begint aan te groeien. De beste plek om damherten te fotograferen zijn de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD), omdat de omgeving prachtig is en de herten daar niet schuw zijn. In de paartijd van het damhert, die begin oktober start, zijn de mannelijke dieren bovendien meer met elkaar bezig dan met de bezoekers. Deze tijd, de bronst genaamd, is de mooiste tijd voor fotografie. Dan is er veel activiteit en interactie tussen de dieren, zoals roedelvorming. Ook maak je kans op gevechten tussen de mannelijke exemplaren. Heel spectaculair! Omdat de dieren niet schuw zijn, is een tele- of telezoomlens met een brandpuntsafstand van maximaal 400 mm al meer dan voldoende.

Duingebieden

Wat die leefgebieden betreft, heb je verschillende opties, mede afhankelijk van in welk deel van Nederland je woont. In het westen zijn er de duinen. Nederland heeft zich altijd al moeten wapenen tegen de invloeden van de zee. De duinen zijn in Nederland een onmisbare schakel in de kustverdediging. De jonge duinen zijn ongeveer duizend jaar geleden ontstaan, maar de oude duinen gaan zo’n vijfduizend jaar terug. De wind verandert het landschap continu en levert een dynamische natuur op. In de begroeide gedeeltes zie je veel struiken en nauwelijks bomen. Duindoorn en meidoorn bieden vogels en insecten een veilige leef- en broedplek. Het gevarieerde duinlandschap heeft voor iedere fotograaf prachtige mogelijkheden. Landschapsfotografen richten zich op stuivende bossen, beboste duintoppen, strand en duinmeren. En wildlifefotografen vinden er tal van vogels en zoogdieren zoals vossen en damherten. Laat je verrassen en wandel door de woeste duinen naar de zee!

De twee bekendste duingebieden zijn de Amsterdamse Waterleidingduinen (AWD) en Nationaal Park Zuid-Kennemerland. Tussen Noordwijk aan Zee en Zandvoort liggen de Amsterdamse Waterleidingduinen: met 3400 hectare een van de grootste natuurgebieden aan de Nederlandse kust. Hier kun je heerlijk wandelen door bossen, heide, duinen en over het strand. In tegenstelling tot in veel andere natuurgebieden mag je er echt struinen en dus (bijna overal) van het pad af. De naam Waterleidingduinen is te danken aan het feit dat Amsterdam hier sinds de negentiende eeuw drinkwater vandaan haalt. Het fijne duinzand filtert het regenwater prima, wat uitstekend bruikbaar drinkwater oplevert.

Door de variatie in landschapstypen is een rijke fauna aanwezig, waaronder damherten, reeën, konijnen en zelfs boommarters. Maar natuurlijk zijn de Amsterdamse Waterleidingduinen dé plek om vossen te fotograferen. Tegenwoordig telt het gebied zo’n acht à tien vossen die geen enkele angst voor de mens meer hebben en zich als volleerde modellen uitgebreid door je laten fotograferen. Ook voor vogelfotografie is dit een prima gebied. Het open water van de kanalen trekt veel watervogels, en in het bos zijn weer andere vogels zoals havik, specht en bosuil te ontdekken. En als kers op de taart laat ook de ijsvogel zich hier goed bewonderen, altijd in de buurt van het water!

Op slechts zeven kilometer van de AWD ligt een van de andere grote duingebieden: Nationaal Park Zuid-Kennemerland. Dit Nationale Park is maar liefst 3800 hectare groot en bestaat uit een uitgestrekt bos- en duingebied tussen IJmuiden, Haarlem en Zandvoort. In dit gebied leven volop vogels, reptielen en zoogdieren zoals vossen, boommarters, Schotse hooglanders en konikpaarden. In een afgesloten deel van de Kennemerduinen ligt het Kraansvlak. Dit duingebied is ongeveer 438 hectare groot en ligt tussen Bloemendaal en Zandvoort. Het is de thuisbasis van het grootste landzoogdier van Europa: de wisent of Europese bizon.

Foto: Doc-J

Reus terug in het wild

De Europese bizon of wisent is het grootste landzoogdier van Europa en het broertje van de Amerikaanse bizon. Groot en imposant zijn de dieren zeker: de stieren worden wel 1100 kilo zwaar en tot twee meter hoog. Sinds 2007 leven er dankzij een pilotproject weer wisenten in het wild in Nederland. Ze zijn geïntroduceerd in een deel van het Nationaal Park Zuid-Kennemerland: het Kraansvlak. In het gebied liggen ook een duinmeer, het Meertje van Burdet, en een open zandvlakte met stuivend duin. Het gebied is een groot deel van het jaar afgesloten. Maar op warme zomerdagen is het duinmeer erg in trek bij de wisenten, en via het uitkijkpunt heb je dan een goed zicht op de dieren. Met wat geluk lopen de dieren ook in het water vlak langs het uitkijkpunt. Dit biedt prachtige mogelijkheden voor de fotograaf. Het gebied is bovendien van 1 september tot 1 maart opengesteld, en dan kun je over het wisentenpad wandelen en met wat geluk ook de wisenten van dichtbij observeren. Een aantal wisenten is uitgerust met een halsband met gps-zender. Via www.wisenten.nl kun je zien waar deze dieren op dat moment te vinden zijn. Lopen ze in de buurt van het pad, dan is het een kwestie van naar het gebied rijden en het wandelpad aflopen. Natuurlijk is dit geen garantie dat ze dan nog te fotograferen zijn, maar in het algemeen blijven ze lang op een plek.

Gelderse Poort

Aan beide kanten van de Nederlands-Duitse grens ligt een van de meest interessante en belangrijkste natuurgebieden van de Nederrijn: de Gelderse Poort. In dit fraaie uiterwaardenlandschap ligt een aantal belangrijke natuurgebieden zoals de Blauwe Kamer, Millingerwaard en Meinerswijk. De diversiteit van het natuurleven in de Gelderse Poort is enorm groot. De Gelderse Poort heeft haar internationale bekendheid vooral te danken aan de vogels: er broeden meer dan 160 soorten. Dit is ongeveer 80 procent van de Nederlandse broedvogelfauna. Neem daarnaast de aanwezigheid van grote grazers zoals konikpaarden en gallowayrunderen, en je kunt je voorstellen dat je als fotograaf niet raakt uitgefotografeerd bij zo’n overweldigende hoeveelheid onderwerpen. Ook de vos en verschillende marterachtigen zoals bunzing en hermelijn vind je hier.

Het mooie van een gebied als de Millingerwaard is dat je er bijna overal vrij kunt rondstruinen. In de uiterwaardgebieden mag je van de paden af, wat in Nederlandse natuurgebieden geen vanzelfsprekendheid is. Dit levert je natuurlijk veel meer fotomogelijkheden op. Je kunt ook met de auto over landweggetjes en over de dijken rijden om op zoek te gaan naar vogels. Tegenwoordig tref je er foeragerende lepelaars, ooievaars en grote zilverreigers aan. En in de herfst- en winterperiode vind je er tienduizend ganzen.

Foto: Irmos

Wadden

Het Waddengebied heeft een uniek landschap dat je vrijwel nergens anders in Europa aantreft. Het heeft een geheel eigen karakter met een enorme diversiteit. Denk hierbij aan kwelders, duinen, strand en zandbanken met geulen en ondiep water met droogvallende platen. Het is een landschap dat continu in beweging is met veel dynamiek. Met name de vogelfotograaf kan zijn hart ophalen op een van de Waddeneilanden. De Wadden zijn op nationaal en internationaal niveau een van de belangrijkste gebieden voor de vogelfauna. Miljoenen vogels broeden of overwinteren er. Tellingen hebben uitgewezen dat jaarlijks tien tot twaalf miljoen watervogels van het gebied gebruikmaken. Daarnaast zijn de Wadden van groot belang als rustplek voor trekvogels om even ‘bij te tanken’. Diverse belangrijke trekroutes liggen precies over het Waddengebied. Onder de broedvogels zijn vele soorten zangvogels, eenden, steltlopers en meeuwen te vinden. De Wadden, met prachtige eilanden als Vlieland, Schiermonnikoog en Ameland, zijn dan ook een eldorado voor de vogelfotograaf.

Nationaal Park De Hoge Veluwe

Dit park is een van de oudste Nationale Parken in Nederland, en ook het grootste met een oppervlakte van 5500 hectare. Het is gelegen op de Veluwe in de provincie Gelderland op zandgronden die ontstaan zijn in de voorlaatste ijstijd. Door de centrale ligging en de diversiteit in landschappen kan het Nationaal Park jaarlijks 50.000 bezoekers verwelkomen. Het park biedt een zeer afwisselend landschap van zandgronden, heidevelden en bos. De bekendste bewoner van De Hoge Veluwe is het edelhert, waarvan er in het park zo’n tweeduizend leven. Een ander groot zoogdier dat je kunt aantreffen, is de in 1921 uit Corsica en Sardinië ingevoerde moeflon. Moeflons zijn prachtig wilde schapen. Ze zijn echter van nature zeer schuw en hebben een uitstekend zicht, waardoor ze al op grote afstand op de vlucht slaan zodra ze een mens ontdekken. In het park leven ook vossen, reeën, dassen en wilde zwijnen. Tevens komen er naast de das nog meer marterachtigen voor, zoals de bunzing, boommarter, wezel en hermelijn.

Stadsparken

Op het eerste gezicht zou je bij dieren in het wild niet meteen denken aan stadsparken. Maar schijn bedriegt, want juist in de vele stadsparken die Nederland rijk is, vallen veel dieren te ontdekken. En juist omdat zulke parken veel door mensen worden bezocht, zijn de dieren daar ook beter te fotograferen. Tijdens een wandeling in een van de bossen in Nederland vluchten eekhoorns vaak snel voor je weg, maar in een stadspark komen ze vaak even dichterbij poolshoogte nemen. Ideaal voor een paar prachtige close-ups van de rode knager. Wil je de blauwe reiger fotograferen? In diverse stadsparken bevinden zich kolonies. En in de vijvers laten allerlei soorten eenden zich prima fotograferen, en zijn ook de grauwe gans en Canadese gans vaak aanwezig. Wist je dat in het Vondelpark in Amsterdam maar liefst dertig verschillende vogelsoorten jaarlijks broeden?

Foto: KPPhotography

Apparatuur: de camera

Goede apparatuur is natuurlijk onontbeerlijk om tot technisch goede foto’s te komen. Voor dierenfotografie in het wild koos men in het verleden eigenlijk vrijwel altijd voor een spiegelreflexcamera. En dat was ook wel te begrijpen. De keuze in modellen in verschillende prijsklassen is groot, dus voor ieders portemonnee zit er wel iets tussen. Maar het belangrijkste aspect is natuurlijk het ruime aanbod aan teleobjectieven in alle soorten en maten: van relatief goedkope telezooms tot dure en lichtsterke vaste brandpunten (‘primes’).

Langzamerhand worden echter ook de spiegelloze (systeem)camera’s, met name die met Micro Four Thirds-sensor, interessanter voor de natuurfotograaf. Bij spiegelreflexcamera’s worden met name gewicht en omvang als negatieve punten ervaren. En daar zijn de systeemcamera’s in het voordeel. Doordat de spiegel ontbreekt, kunnen deze camera’s namelijk compacter worden uitgevoerd. Ook de objectieven zijn lichter en kleiner, waardoor het geheel makkelijker mee te nemen is. Bij het Micro Four Thirds-formaat profiteer je bovendien van de schijnbare ‘brandpuntsafstandsverlenging’ door de kleinere sensor, waardoor een 200 mm dezelfde beeldhoek heeft als een 400 mm voor fullframe.

Systeemcamera’s zijn pas een tiental jaren op de markt. In het begin hadden ze relatief veel last van ruis bij hoge iso-waarden. Maar de inhaalslag is snel gegaan doordat camerafabrikanten juist dit cameratype goed doorontwikkelen, met als resultaat een enorme kwaliteitsverbetering. En de verwachting is dat daardoor een verschuiving zal optreden in de markt richting de systeemcamera’s. Op dit moment zullen met name dierenfotografen veelal nog steeds voor de spiegelreflexcamera kiezen vanwege de grote keuze in objectieven. Ook kan de autofocus van de meeste systeemcamera’s zich nog niet meten met die van spiegelreflexen uit het topsegment. De ontwikkelingen bij de systeemcamera’s gaan echter snel, dus het is zeker de moeite waard om een en ander nauwlettend te volgen.

Foto: Mex

Tele- en telezoomobjectieven

Voor fotografie van dieren in het wild in Nederland heb je een flinke telelens nodig. De hoogste kwaliteit en dus scherpte bereik je met een zogenaamde vaste brandpunt of prime, meer specifiek primes met een brandpuntsafstand van 400 tot 600 mm. Behalve dat ze over het algemeen een hogere scherpte leveren, zijn deze objectieven doorgaans lichtsterker dan de telezoomuitvoeringen. Bovendien kunnen ze met minimaal scherpteverlies worden gecombineerd met converters, waarmee de brandpuntsafstand wordt verlengd. Ook zijn deze objectieven veel sneller met scherpstellen, wat bijvoorbeeld bij het fotograferen van vogels, die maar kort op een tak zitten, een groot voordeel is. Nadelen hebben deze objectieven ook. Ten eerste zijn ze zeer prijzig, en daarnaast zijn ze groot en zwaar. Een laatste nadeel is toch wel de beperkte flexibiliteit als het om de beelduitsnede gaat. Door de vaste vergroting kan het voorkomen dat het onderwerp te groot (of te klein) in beeld komt. En als je aan een vaste plek bent gebonden, bijvoorbeeld een schuilhut, is ‘zoomen met je voeten’ door verder weg (of dichterbij) te gaan geen optie.

Steeds meer worden daarom telezoomobjectieven gebruikt. Door de variabele brandpuntsafstand, bijvoorbeeld van 80 tot 400 mm, kun je vanuit een vaste positie in een schuilhut verschillende soorten beelden maken: dier in leefomgeving/landschap en dier beeldvullend. In het verleden betrof de reden om geen zoomobjectief aan te schaffen vooral de mindere scherpte en het slechtere contrast. Maar de tijden veranderen, en door nieuwe productietechnieken zijn inmiddels diverse uitstekende telezoomobjectieven op de markt, die qua scherpte en contrast zeer goed scoren. Wel blijft de autofocussnelheid wat achter. Op dit punt is voor objectieffabrikanten nog werk aan de winkel.

Statief

Door beeldstabilisatie in het objectief is de noodzaak om een statief te gebruiken minder groot geworden. De huidige generatie gestabiliseerde objectieven maakt het zelfs bij relatief lange sluitertijden als 1/30 seconde nog mogelijk om uit de hand scherpe beelden te schieten met een brandpuntsafstand van 400 mm. Bij de zware vaste brandpunten zoals een 500 mm F 4,5 is het echter ondoenlijk om zo’n kanon lang en stabiel vast te houden, zelfs voor de Arnold Schwarzeneggers onder ons. Dan is een zwaar en degelijk statief een must. Ook als je lang moet wachten voordat het onderwerp zich aandient, is het fijn om de camera-objectiefcombinatie op het statief te laten ‘rusten’. Als statiefkop zijn bij niet al te zware telezoomobjectieven de traditionele balhoofden prima te gebruiken. Voor zwaardere objectieven is de schommelkop ideaal. Deze heeft geen last van de zogenaamde ‘lens creep’ waarbij de lens onbedoeld voorover zakt.

Foto: Henk Laverman

Praktijk: de schuilhut

Natuurfotografen weten het al: mooie beelden maken van kleine vogels en zoogdieren is in de Lage Landen niet makkelijk. Al lopend door de natuur zie je ze natuurlijk wel, en ze zijn ook met een verrekijker te observeren, maar ze goed op de plaat krijgen ligt een stuk lastiger. Natuurlijk zijn er wat uitzonderingen. Denk bijvoorbeeld aan overvliegende ganzen in een polder of vossen in de Amsterdamse Waterleidingduinen. Maar de meeste soorten zijn toch vooral, en soms alleen maar, vanuit een schuilhut te fotograferen. Enerzijds door hun schuwheid, en anderzijds omdat je met name bij kleinere vogelsoorten op korte afstand moet werken voor een beeldvullende opname. Zelfs bij het gebruik van een zwaar teleobjectief als een 500 of 600 mm moet een kleine vogel als een groenling toch wel op maximaal vier à vijf meter van de fotograaf zitten. En om die dieren toch van zo dichtbij te kunnen fotograferen, moeten we ons verbergen: in een schuiltent, onder een camouflagekleed of in de auto.

Bij de meeste grotere onlinefotozaken zijn diverse betaalbare camouflagetenten te koop. De meeste modellen zijn compact te transporteren en eenmaal op de bestemming aangekomen ook zeer snel op te zetten. Publieke observatieposten of vogelhutten zijn een mogelijk alternatief. Deze zijn voor iedereen kosteloos toegankelijk. Zulke vogelhutten kunnen zeker, althans voor bepaalde soorten, interessant zijn, maar er zijn ook nogal wat nadelen te noemen. Vaak zitten de dieren wat verder weg, waardoor je minimaal een 500 mm nodig hebt. Ook zijn de kijkvensters in de hut gemaakt voor observatie en niet direct voor fotografie, waardoor ze soms te hoog zitten en ook te klein zijn. Tevens kan het behoorlijk druk zijn in zo’n hut, en dit komt de noodzakelijke rust natuurlijk niet ten goede.

Tegenwoordig bestaat een veel beter alternatief: je huurt voor een dag of dagdeel een fotohut bij een van de commerciële aanbieders. Deze fotohutten zijn gebouwd om optimaal te voldoen aan de eisen van de fotograaf. In veel gevallen zijn de bedenkers en beheerders van deze hutten namelijk zelf ook fotograaf.

De auto als schuilhut

Veel soorten weidevogels, en ook bepaalde roofvogels zoals buizerd en torenvalk, zijn prima vanaf de dijk of landweg vanuit de auto te fotograferen. Met de auto als schuilhut lukt het meestal probleemloos om ze tot op korte afstand te naderen zonder dat ze wegvliegen. Voor de vogels fijn, maar natuurlijk ook voor ons fotografen. Bij koude weersomstandigheden is het echter raadzaam om de verwarming in de auto niet of zo min mogelijk aan te zetten. Grote temperatuurverschillen leveren namelijk condens op. Ga je bijvoorbeeld tijdens een winterse dag uit de warme auto en weer naar binnen, dan ontstaat condens op het objectief en mogelijkerwijs ook in de camera. Dat eerste levert ongewild een softfocuseffect op, en vocht in de camera kan bovendien de elektronica beschadigen. Een andere optie is om de apparatuur in de achterbak van de auto te leggen en pas te gebruiken door een open raam zodra je een interessante diersoort hebt gespot. In de achterbak is het altijd iets kouder, waardoor de kans op condens ook minder groot is.

Foto: Severia

Compositie

Om mooie beelden van dieren in het wild te maken, kun je het beste proberen op ooghoogte met je onderwerp te komen. In combinatie met een lange brandpuntsafstand geeft dit een scherp onderwerp dat afsteekt tegen de onscherpe voor- en achtergrond. Het beeld zal daardoor rustiger ogen en prettiger aandoen. De aandacht van de kijker gaat uit naar het onderwerp, en wordt niet afgeleid door bijvoorbeeld een onrustige en storende achtergrond. Ga daarom bij kleine onderwerpen zoals waadvogels op het strand en eekhoorns in het bos door de knieën. Het zal echt je beeld verbeteren!

Probeer het onderwerp in het algemeen niet centraal in beeld te plaatsen, maar meer naar links of rechts. Hou hierbij ook rekening met de kijkrichting van het dier. Kijkt het dier naar links, dan plaats je het dier rechts in beeld, zodat het niet als het ware buiten het beeld kijkt. Als een echte bespieder door de vegetatie heen fotograferen en focussen op bijvoorbeeld het hert verderop in het veld levert ook een leuk resultaat op. De onscherpe bladeren, of andere vegetatie op de voorgrond, zorgen voor mooie onscherpe vlakken die het beeld versterken en je hoofdonderwerp prachtig omlijsten.

Vogels in vlucht

Bij het fotograferen van ganzen tegen de lucht zet ik zelf de autofocus van de camera op meerdere AF-sensoren tegelijk in combinatie met de continu-AF-stand oftewel Servo AF. De meerdere sensoren kunnen de ganzen beter scherp in beeld houden. Bij gebruik van één AF-sensor komt het scherpstelpunt nog weleens naast de gans terecht, waardoor de autofocus gaat pendelen. De continu-AF-stand/Servo AF zorgt ervoor dat de camera de gans scherp in beeld houdt, ook als deze bijvoorbeeld naar je toe vliegt. De autofocus blijft dan de afstand bijstellen terwijl de vogel dichterbij komt of zich juist van de camera verwijdert. Voor scherpe vluchtopnamen verdient een sluitertijd van 1/1000 seconde of korter de voorkeur.

Camera-instellingen

Hou sowieso de sluitertijden in de gaten. Met name kleinere vogelsoorten bewegen ontzettend snel, zitten geen moment stil, en bewegen áls ze even stilzitten vaak nog snel hun kopje. Gebruik liever een kortere sluitertijd (zoals 1/250 seconde of korter) in combinatie met een hogere iso-waarde dan een lagere iso-waarde met een langere tijd (zoals 1/30 of 1/60 seconde). Met de huidige moderne (spiegelreflex)camera’s zijn de hogere iso-waarden prima bruikbaar. Met name fullframe-camera’s zetten dan een prima resultaat neer met een minimum aan ruis. Daarbij kan ruis ook achteraf prima in fotobewerkingsprogramma’s zoals Adobe Photoshop of Lightroom worden gereduceerd. Met name de nieuwste versies van deze programma’s zijn daar sterk in. Daarbij komt: liever een scherpe foto van een vogel met wat ruis in het bestand dan een ruisarm beeld met een onscherpe vogel. En als je een foto van een dergelijk bestand afdrukt, valt vaak ook nog de ruis die op het computerscherm zichtbaar was volledig weg.

Foto: BNN

Met of zonder landschap

Foto’s van dieren in het landschap zijn in. Jarenlang was het voor natuurfotografen de kunst om één vogel of zoogdier zo groot mogelijk in beeld te brengen. Met behulp van enorme telelenzen, bandrecorders met geluid en schuilhutten werd geprobeerd om de dieren dichterbij te laten komen of te halen. Nu zie je een langzame kentering, en komt de nadruk meer te liggen op het fotograferen van het dier in zijn omgeving. Een mooie ontwikkeling, want zo’n beeld vertelt vaak meer een verhaal. Het laat zien in welke biotoop het dier leeft en heeft dus een dubbele laag.

Het mooiste is het wanneer dat landschap ook zonder die dieren al de moeite waard is om te fotograferen. Denk aan een landschap met sfeer of mooi licht. Of mistige omstandigheden, zoals we vaak tijdens het najaar in met name waterrijke gebieden in de vroege ochtend hebben. Vaak zijn de vogels in het water of andere dieren in het landschap in beweging. Dan is het een kwestie van simpelweg even de tijd nemen totdat ze zich op de gewenste plekken in het landschap bevinden, om dan de foto te maken.

Do’s en don’ts

Een belangrijke stelregel bij dierenfotografie is dat je te gast bent in het natuurgebied. Daarom dien je je daar ook naar te gedragen. Zoals we al eerder schreven, is kennis van het gedrag van dieren belangrijk, ook om te zien of ze niet verstoord worden. Als je bijvoorbeeld in de winterperiode in een weiland foeragerende ganzen met de auto benadert, moet je goed in de gaten houden hoe ze reageren als je dichterbij komt. Stoppen ze met eten en blijven ze met z’n allen met de kop omhoog staan, dan is het tijd om afstand te nemen, want anders gaan ze even later allemaal op de wieken. Iets wat in de winterperiode (te) veel energie van ze vergt wanneer dit regelmatig gebeurt. Gaan ze echter – na even opkijken – door met eten, dan is er niks aan de hand.

Ook nestfotografie is een punt van aandacht. Verstoring van broedende vogels of vogels met jongen dient te allen tijde voorkomen te worden. Wat natuurlijk niet betekent dat nestfotografie altijd taboe is. Een fuut op nest in de stad trekt zich van niemand wat aan en gaat gewoon door met broeden. Geen probleem! De lepelaarskolonie bij Haarlem ligt aan een fietspad en autoweg, en ook daar kun je prima met je camera bij gaan staan. Maar sta je bijvoorbeeld te dicht bij een boom waarin zich een nest jonge spechten bevindt, dan bestaat het risico dat de ouders niet meer durven te komen voeren. Blijf dus goed nadenken over je eigen gedrag in de natuur, en bedenk dat het welzijn van het dier altijd belangrijker is dan een mooie foto. Als je twijfelt, is het wellicht beter om de fotokans onbenut voorbij te laten gaan.

Meer leren over wildlifefotografie? Bekijk hieronder onze aflevering met fotograaf Dick van Duijn over wildlife! 


Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

Fotograferen in het donker: deze objectieven moet je hebben

Sigma 20mm F2 DG DN | Contemporary