in ,

Basiscursus: basisinstellingen van je camera

Kees Krick

Een camera die op de automatische piloot staat, is prima in staat om mooie plaatjes te schieten. Toch blijft het een machine die op een voor-geprogrammeerde manier ‘denkt’. Daarom kan de ingebouwde computer nooit de persoon achter de camera vervangen. Laat niet alle beslissingen aan de camera over en bepaal zelf de beste instellingen. Zo worden je foto’s beter dan ooit!

Wil je meer leren over fotografie en ook prachtige foto’s leren maken? Bekijk dan onze Basiscursus Fotografie


Nog meer fotografietips?

Wil jij ook beter leren fotograferen en nog veel meer van dit soort tips ontvangen?Bekijk dan ons uitgebreide aanbod van online fotografiecursussen in de Zoom Academy en start vandaag nog met jouw persoonlijke cursus! Zo kun je direct aan de slag met de cursussen Portretfotografie, Reisfotografie, Macrofotografie, Landschapsfotografie, Smartphonefotografie en later ook Lightroom en Straatfotografie.


Basisinstellingen: controle over je camera, controle over het resultaat

Zodra je jouw camera ergens op richt en de ontspanknop half indrukt, scant het toestel het beeld. Alles wat ruwweg in het midden van dat beeld staat, wordt al snel als het hoofdonderwerp gezien. Belichting, scherpstelling en kleurweergave worden hierop afgestemd. Misschien is dat precies je bedoeling, maar misschien ook niet. In dat geval is de kans groot dat je niet het maximale uit je apparatuur haalt. Als je niet aangewezen wilt zijn op ‘toevalstreffers’, kun je beter niet alle beslissingen blindelings aan je camera overlaten.

Belichting

Om een foto te maken, heb je licht nodig. Niet te veel, maar ook niet te weinig. Er zijn drie instellingen die samen de belichting van een foto bepalen. Dat zijn diafragmawaarde, sluitertijd en lichtgevoeligheid (ISO-waarde). Wat de ideale belichting is, verschilt per situatie. Een en ander hangt niet alleen af van de specifieke lichtomstandigheden, maar ook van welke sfeer en uitstraling je nastreeft. Een camera kan natuurlijk niet in jouw hoofd kijken en weet dus niet wat je van plan bent. In de Auto- of de P-stand doet de automaat al het denkwerk. In wezen geldt dat ook voor de welig tierende motiefprogramma’s, al weet de camera dan in elk geval of je een actiefoto of een macro-opname wilt maken. Vaak is het selecteren van het ideale motiefprogramma trouwens al een uitdaging op zich… Om écht grip op het eindresultaat te krijgen, kun je beter overschakelen naar de Av- of de Tv-stand. Bij sommige merken worden die respectievelijk de A- en de S-stand genoemd. Wanneer je welke stand gebruikt, hangt af van de situatie, maar ook van je eigen voorkeur en werkwijze. Gebruik de verschillende standen gerust een tijdje door elkaar, om te ontdekken wat jou het beste bevalt.

Diafragmawaarde

In een objectief zit een opening waarvan de grootte instelbaar is. Dit mechanisme wordt het diafragma genoemd. Door op de camera een diafragmawaarde in te stellen, regel je de lensopening en dus de hoeveelheid licht die via de lens naar de beeldsensor stroomt. Belangrijk om te onthouden: hoe lager de diafragmawaarde, des te groter de lensopening … en dus ook de hoeveelheid licht die per tijdseenheid wordt doorgelaten. Misschien had je juist het omgekeerde verwacht. Bij een hoge diafragmawaarde, zoals F 22, komt er maar weinig licht binnen. Om eenzelfde hoeveelheid licht naar de sensor door te sluizen, moet je dus veel langer belichten dan bij een lage diafragmawaarde, zoals F 2,8.

Diafragmawaarde en Av-stand

Bij de Av-stand, ook wel diafragmavoorkeuze genoemd, stel jij de diafragmawaarde in. De camera kiest de bijpassende sluitertijd om de belichting kloppend te maken. Je hebt dus alleen indirect invloed op de belichtingstijd. De diafragmawaarde bepaalt niet alleen de hoeveelheid licht die door de lens stroomt, maar ook de scherptediepte. Dit is het gebied van voor tot achter het punt waarop je scherpstelt dat scherp op de foto komt. Bij een grote lensopening krijg je minder scherptediepte dan bij een kleine lensopening. Belangrijk om te onthouden, want zo bepaal je in grote mate welk deel van een onderwerp en zijn omgeving scherp op de foto komt. Hoe kleiner de lensopening, hoe minder licht er wordt doorgelaten. Als er veel licht is, is het natuurlijk een stuk makkelijker om kleine lensopeningen te gebruiken dan bij weinig licht. Bovendien blijven de sluitertijden kort genoeg, zodat je minder kans loopt op onscherpe foto’s door beweging van het onderwerp of cameratrillingen. Bij weinig licht ben je misschien geneigd om meteen naar de grootste lensopening te grijpen, maar houd er dan wel rekening mee dat er zo maar weinig scherptediepte overblijft.
Bij nachtopnamen, waarbij de belichtingstijd al gauw vele seconden bedraagt, heb je sowieso een statief nodig. Kies daarom gerust voor een diafragmawaarde van F 11 of hoger. Als bijeffect veranderen felle lichtbronnen (zoals lantaarnpalen) dan in sterretjes.

Met behulp van het diafragma zorg je voor voldoende scherptediepte. (Foto: constant)
ISO 100 • F 9 • 1/160e SEC
Met een grote lensopening blijft er weinig scherptediepte over, zeker in het dichtbijgebied. (Foto: markmooren)
ISO 100 · 5.6 · 1/250 SEC

Sluitertijd

Voor de beeldsensor zit een soort schuifdeurtje: de sluiter. Zodra je een foto maakt, wordt de sluiter een bepaalde tijd opengezet zodat het licht de sensor kan bereiken. De tijd dat de sluiter geopend is, heet de sluitertijd of belichtingstijd. De sluiter kan in een minieme fractie van een seconde openen weer dichtgaan, maar bij weinig licht kan hij ook prima 15 seconden of langer geopend blijven. Korte tijden gebruik je bijvoorbeeld bij sport en snelbewegende onderwerpen in het algemeen. Lange belichtingstijden zijn perfect wanneer er weinig licht is, zoals bij nachtopnamen.

Sluitertijd en Tv-stand

Bij de Tv-stand, ook bekend als sluitertijdvoorkeuze, kies je zoals de naam al aangeeft zelf de sluitertijd. De camera zorgt voor de bijpassende diafragmawaarde. Deze stand heeft de voorkeur als je wilt bepalen hoe een bewegend onderwerp op de foto komt. Bij een korte sluitertijd, zoals 1/1000e seconde of nog korter, worden bewegingen ‘bevroren’. Handig bij actiefoto’s, maar ook om elke druppel van een waterval vlijmscherp op de plaat te krijgen. Een korte tijd betekent dat de sluiter maar heel eventjes openstaat. Dus tenzij er enorm veel licht is, kiest de camera een grote lensopening en zal de scherptediepte beperkt zijn. Kies je juist voor een langere sluitertijd, dan komen de kleine lensopeningen eerder binnen bereik en neemt de scherptediepte weer toe. Uit de hand fotograferen wordt wel lastiger zodra je met 1/60e seconde of langere tijden werkt. Hoe langer de lens, des te eerder je last van trillings-onscherpte zult hebben. Beeldstabilisatie helpt dan, een statief nog meer. Ook moet je erg oppassen met snelbewegende onderwerpen. Voor je het weet zijn ze onscherp, omdat ze in de tijd dat de sluiter openstaat door het beeld bewegen. Bij een waterval, beek of de branding kan zulke beweging overigens heel mooi uitpakken. Water verandert dan in een zacht, zijdeachtig waas. Schitterend! Bij onderwerpen zoals rijdende auto’s en hardlopers beweeg je bij voorkeur met je onderwerp mee. Dan zal de achtergrond vervagen terwijl het onderwerp voldoende scherp blijft. De optimale sluitertijd hangt altijd af van de snelheid van je onderwerp en van je eigen reactievermogen. Het loont om veel te experimenteren!

Een ultrakorte sluitertijd bevriest beweging. (Foto: vanes-fotografie)
Bij een lange belichtingstijd wordt stromend water weergegeven als een zijdezacht waas. (Foto: sven483)

ISO-waarde

Als er weinig licht is, komen hoge diafragmawaarden en korte sluitertijden buiten je bereik te liggen. Die kun je dan niet gebruiken, omdat ze een belichting geven die te krap is voor de lichtomstandigheden waaronder je werkt. Dit beperkt je in je keuzemogelijkheden. Door de lichtgevoeligheid van de camera op te schroeven, maak je een deel van die waarden alsnog beschikbaar. Bij een hogere ISO-waarde wordt de gevoeligheid van de sensor kunstmatig verhoogd, zodat het lijkt alsof er meer licht is dan in werkelijkheid.

Lichtgevoeligheid

De belichting bepaal je in de eerste plaats via de sluitertijd en het diafragma. Is er te weinig licht voor een bepaalde combinatie, zodat je onwerkbaar lange sluitertijden en/of te weinig scherptediepte krijgt? Dan neem je jouw toevlucht tot een noodmaatregel: je verhoogt de lichtgevoeligheid (ISO-waarde). Er is wel een keerzijde. Bij hogere waarden verschijnt er meer ruis in de foto en neemt de technische kwaliteit af. Ruis bestaat uit (al dan niet gekleurde) spikkeltjes die eigenlijk niet in de foto thuishoren. Camera’s poetsen dit deels weg, maar dat gaat weer ten koste van de scherpte en de kleurintensiteit. De beeldsensor van een camera presteert altijd het beste bij lage lichtgevoeligheden. Laat de lichtgevoeligheid daarom het liefst op ISO 100 of 200 staan, en schakel alleen als het echt nodig is over naar een hogere waarde. Moderne camera’s zijn wel steeds beter in staat om bij hoge ISO-waarden mooie foto’s te maken, maar er is altijd kwaliteitsverlies. Je ziet het alleen niet meteen. Waar de grens ligt, verschilt van geval tot geval. Bij sommige camera’s gaat de kwaliteit boven ISO 400 of 800 duidelijk achteruit, terwijl bij andere de lat pas bij ISO 3200 of 6400 ligt. Experimenteer met je eigen toestel om te zien wat voor jou nog acceptabel is. Fotografeer je een statische scène, dus zonder bewegende onderwerpen? Gebruik dan liever een lage ISO-waarde en een statief dan dat je de foto uit de hand neemt met een extreem hoge lichtgevoeligheid.

Belichtingscompensatie

De Av- en de Tv-stand worden halfautomatische standen genoemd. Jij stelt een bepaalde diafragmawaarde in en de camera kiest de bijbehorende sluitertijd of omgekeerd. Het toestel bepaalt dus de uiteindelijke belichting, en hierdoor rolt een foto soms te licht of te donker uit het toestel. Vind je de belichting niet goed, dan gebruik je belichtingscompensatie om een zetje in de gewenste richting te geven. Je herkent deze functie aan een knop met een plus/minteken erop. Door een positieve waarde (zoals +1) in te stellen, laat je de camera ruimer belichten. Een negatieve waarde levert juist een krappere belichting op. Wil je zelf exact de belichting bepalen door zowel de sluitertijd als de diafragmawaarde in te stellen? Gebruik dan de M-stand. Maar let op: dit is een volledig handmatige stand, en die is een stuk lastiger te gebruiken. En wanneer de licht-omstandigheden veranderen, bijvoorbeeld doordat het zonnetje achter de wolken schuift, past de camera de belichting niet automatisch aan.

Samenhang

Diafragma, sluitertijd en lichtgevoeligheid bepalen met elkaar de belichting van een foto. Dit betekent dat als je één waarde verhoogt, jijzelf of de camera één van de andere twee in dezelfde verhouding moet verlagen. Als je tenminste exact dezelfde belichting wilt houden, natuurlijk. Maak je bijvoorbeeld de lensopening tweemaal zo groot (bijvoorbeeld van F 5,6 naar F 4), dan moet je de sluitertijd dan wel de lichtgevoeligheid halveren. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom. Stel dat je een glas vult met water. Je draait de kraan een stukje open (diafragma) en wacht tot het glas helemaal gevuld is (sluitertijd). Staat de kraan twee keer zo ver open, dan is het glas in de helft van de tijd gevuld. Een halvering of verdubbeling wordt in de fotografie ook wel een ‘stop’ genoemd. Welke instelling je verandert, hangt vooral af van het effect dat je wilt hebben. Met de sluitertijd speel je met beweging en met het diafragma regel je de scherptediepte. Door de optimale combinatie te kiezen, krijg je na wat oefenen precies de foto die je voor ogen hebt.

Lichtmeetmethoden

Een goede belichting staat of valt met een goede lichtmeting. Als op het hoofdonderwerp meer of minder licht valt dan op de achtergrond, of als het onderwerp zelf extreem licht of donker van tint is, kan de camera moeite hebben om de optimale belichting te vinden. Belichtingscompensatie helpt, maar telkens als je de uitsnede verandert, moet je de belichtingscompensatie bijstellen. Een betere oplossing is het kiezen van een andere lichtmeetmethode, oftewel de manier waarop de camera het licht meet. Ook dit doe je met een knop of via het menu. Bij de standaard lichtmeting wordt het hele beeld gemeten om de belichting te bepalen. Bij extreme contrasten tussen licht en donker gaat het mis. Kies dan een lichtmeetmethode waarbij de nadruk op het beeldmidden ligt. De rest van het beeld telt dan nog steeds mee, maar weegt minder zwaar. Op sommige camera’s kun je alles buiten het beeldcentrum zelfs helemaal negeren. Tot slot kun je kiezen voor spotmeting. Alleen een klein cirkeltje in het midden bepaalt dan de belichting, en dat is slechts een paar procent van het totale beeld! Dit betekent ook dat je heel zorgvuldig moet richten, want anders klopt de belichting van geen kanten. De namen van de lichtmeetmethoden verschillen per cameramerk, maar de werking is grotendeels gelijk.

Scherpstelpunten

Wat voor de lichtmeting geldt, geldt ook voor de automatische scherpstelling. Een camera met tientallen scherpstelpunten die door de hele zoeker verspreid zijn, grijpt onvermijdelijk wel eens naast het onderwerp. Kies als je voldoende tijd hebt liever zelf een scherpstelpunt. Of selecteer alleen het middelste scherpstelpunt en zet de andere op non-actief. Door de ontspanknop half in te drukken terwijl je het middelste punt op het onderwerp richt, vergrendel je de scherpstelling. Kader het beeld met halfingedrukte ontspanknop opnieuw uit en druk dan pas af.

Kleuren in balans

Of de kleuren in je foto’s natuurgetrouw worden weergegeven, hangt sterk af van de aanwezige verlichting. Het maakt namelijk uit of je in de zon fotografeert, op een bewolkte dag, of binnen bij kunstlicht. Kunstlicht is bijvoorbeeld veel warmer van tint dan dag- of flitslicht. Een camera probeert in elke situatie de soort verlichting te raden en stemt daar de kleuren zo goed mogelijk op af. Helaas lukt dit niet altijd, waardoor je ‘foute kleuren’ krijgt. Wit is dan bijvoorbeeld niet zuiver wit, maar gelig of juist blauwachtig getint. Dit kun je voorkomen door zelf de witbalans in te stellen. Moeilijk is dat niet: via het menu of een knop geef je aan met welke lichtbron je te maken hebt, zoals zonlicht, gloeilamp of tl-licht. De camera hoeft dan niet te gokken en de kleuren zullen dus veel beter kloppen. Op een grijze dag kunnen je foto’s er bijvoorbeeld wat kil en flauwtjes uitzien. Zet je de witbalans op Bewolkt, dan oogt de foto meteen een stuk warmer. In een kamer met gloeilamplicht krijgt de foto een gelige of oranje kleurzweem. Met de witbalans op Gloeilamp los je dit euvel op. Tenzij je flitst, want flitslicht is in wezen imitatiezonlicht. Gebruik dan de automatische witbalans of zet deze op Flitslicht. Weet je niet zeker met welke lichtbron je te maken hebt? Loop het rijtje af en beoordeel het resultaat op het scherm. Als er meerdere soorten lichtbronnen zijn, is het moeilijk om alle kleuren overal in beeld goed te krijgen. Kijk dan welke lichtbron het hoofdonderwerp verlicht en stel daar de witbalans op in.

KONICA MINOLVerschillende instellingen van de witbalans geven totaal andere beelden. (Foto: emma)

Alles over fullframe en cropframe sensoren. Deel 1: Verwarring

De juiste camera-instellingen voor sportwedstrijden