in

Buiten fotograferen: zo heb je altijd een goede belichting


26 juni 2020, 07:16

Fotografeer je in de buitenlucht, dan kun je te maken hebben met veel verschillende soorten licht. Hoe zorg je ervoor dat je je foto dan altijd goed belicht? Weg leggen het je uit.

Zacht en hard licht

In het vorige hoofdstuk, Goed binnen fotograferen, hadden we het over de zaklamp (hard en gebundeld licht) en het raam (zacht en diffuus licht). Ga je buiten fotograferen, dan heb je te maken met de zon als belangrijkste lichtbron. Op een onbewolkte dag geeft die een vrij hard en gericht licht. Er is veel contrast en je ziet harde schaduwen. Op een bewolkte dag werkt de bewolking als een soort doek waar het licht doorheen moet, wat het licht veel zachter maakt. Het wolkendek zorgt er ook voor dat het licht veel meer kanten opgaat. Het is als het ware een natuurlijke verzachter; er zijn ook nauwelijks schaduwen zichtbaar.

Hier is prachtig zacht licht, vermoedelijk is deze foto op een bewolkt moment gemaakt. Met een klein diafragma is de achtergrond zeer vervaagd.

Foto: Rianna Neuteboom (bw-shots.zoom.nl)

De richting en de intensiteit van het licht buiten is afhankelijk van het seizoen. In de zomermaanden komt de zon veel hoger aan de hemel dan in de wintermaanden. In de zomer is het licht harder en komt het meer vanaf boven. Let op, want dat kan lelijke schaduwen in het gezicht geven als je mensen fotografeert. In de winter is het licht zachter en komt het ook midden op de dag dus wat meer vanaf de zijkant.

Natuurlijk maakt de tijd van de dag ook veel verschil. Rond zonsopkomst en rond zonsondergang staat de zon laag, en heb je zachter licht. Zie ook de module ‘Mooie momenten op de dag’ om te leren hoe je met de speciale lichtomstandigheden op deze tijden omgaat: het gouden en blauwe uur en de zonsopkomst en -ondergang.


Avondlicht is vaak mooi. Doordat de zon laag staat, krijg je een goed contrast.

Foto: Bjorn Schoeters (bjorn-schoeters3.zoom.nl)

Belichting corrigeren

Een camera is een stuk beperkter dan het menselijk oog. Onze ogen kunnen zich aanpassen aan allerlei lichtomstandigheden, de camera probeert dit ook, maar is daarin dommer dan onze menselijke hersenen.

Zoals je al hebt kunnen lezen in deze cursus, berekent de lichtmeter van de camera de gemiddelde helderheid en stelt het daar de instellingen op af. Dit gaat niet altijd goed: het kan zijn dat je dit zelf moet corrigeren.

Fotografeer je buiten bij hard licht, dan zul je soms moeten kiezen welk deel van je foto je goed belicht wilt hebben. Fotografeer je een landschap met een prachtige wolkenlucht, dan is het belangrijker dat de lucht goed belicht is en zal het minder erg zijn als de voorgrond wat donkerder wordt. Zorg in dit geval wel dat je de foto wat onderbelicht, bijvoorbeeld naar -1 of -2.

Ben je in de stad aan het fotograferen en gebeurt er iets leuks op straat, dan is het juist belangrijk dat dat onderwerp goed belicht is, en is de lucht juist minder belangrijk. Het kan dan zijn dat je de foto wat moet overbelichten, naar +1 of +2.

Fotografeer je in de sneeuw, dan wil je de camera ook onderbelichten. Het sneeuwlandschap is namelijk veel lichter dan middengrijs. Ook hierbij zul je dus de camera een handje moeten helpen. Over fotograferen in de sneeuw lees je meer in het hoofdstuk Ieder weertype.

Strijklicht in combinatie met een vochtige lucht. Het levert prachtig licht op. En dat de lucht rechtsboven overbelicht is, maakt hier niet uit.

Foto: Rob Bout (robbout.zoom.nl)

Belichtingstrucje

Wil je de voorgrond van je foto goed belichten en maakt de lucht je niet zo veel uit, maar weet je niet precies welke instellingen je dan moet kiezen? Er is een trucje! Richt je camera eerst zo dat het meest heldere deel niet in beeld komt, in dit voorbeeld dus door de camera meer naar de grond te richten. Die belichting vergrendel je met de belichtingsvergrendelingsknop of je stelt de gemeten waarden handmatig in. Bepaal nu opnieuw je beeldkader en druk af zonder de belichting nog aan te passen. Buiten is belichten op een grasveld overigens ideaal: dat is ongeveer middengrijs qua belichting.

Handmatig instellen

In plaats van alleen aan te geven dat je de belichting wat wilt aanpassen, kun je ook het heft helemaal in eigen hand nemen. Je bepaalt dan zelf de iso-waarde, de sluitertijd en het diafragma.

Buiten heb je meestal voldoende licht, dus kun je een lage iso-waarde kiezen. Hoe je de sluitertijd en het diafragma instelt, is volledig afhankelijk van de situatie. Wil je een beweging bevriezen, dan kies je voor een korte sluitertijd. De precieze waarde is dan afhankelijk van hoe snel je onderwerp beweegt. Voor het bevriezen van de beweging van een racewagen heb je een veel kortere sluitertijd nodig (bijvoorbeeld 1/1000) dan voor een kind op de schommel (bijvoorbeeld 1/250).

Vind je de scherptediepte in je foto belangrijker, bijvoorbeeld omdat je een bloem wilt fotograferen met een onscherpe achtergrond, dan bepaal je eerst het diafragma. Je kiest voor een lage waarde, dus een groot diafragma, om slechts een klein deel van de foto scherp te maken.

In deze cursus zie je bij alle voorbeeldfoto’s welke instellingen er gebruikt zijn. Ook beschrijven we voor allerlei lichtomstandigheden hoe je de camera het best kunt instellen. Lees ook het hoofdstuk Je camera instellen nog eens goed door als je het bepalen van de goede instellingen nog lastig vindt.

We beschrijven hierna in het kort nog een paar voorbeeldsituaties waarin het lastig is om buiten goed te belichten.

De fotograaf heeft hier de camera meebewogen met de racewagen, waardoor de racewagen met 1/200 seconde toch scherp is.

Foto: Roger Hamblok (rogerhamblok.zoom.nl)

Video: Paardenfotografie tips van Dominique van Dreumel

Zo kun je makkelijk verzamelingen maken in Lightroom