in

Deze 6 compositietips moet je onthouden als je gaat fotograferen

De compositie van je foto bestaat uit meer dan alleen het werken met één van de compositieregels. Je kunt namelijk nog een hele hoop andere keuzes maken en op andere dingen letten.

Formaat

Eigenlijk maak je deze beslissing nog vóór je compositie: je beslist of je een staande of liggende foto maakt. Meestal is bij landschappen liggend favoriet en staand bij portretten, maar dat is geen vast gegeven. Kijk bij welk formaat je onderwerp het beste tot zijn recht komt. Zo kan een landschap met een verticaal element (zoals een kerktoren of een steile klif) extra impact krijgen door een staand formaat. Kies dus niet automatisch voor het traditionele formaat, maar probeer de verschillende opties uit.

Een gezicht past beter in een staande beelduitsnede. Maar ook met de camera horizontaal kun je uitstekend portretfoto’s maken. Vooral omdat het niet verplicht is om iemand van kruin tot kin af te beelden. Er zijn portretfotografen die bijna steevast kiezen voor een liggend formaat, omdat het ze de ruimte geeft om te spelen met de compositie en meer van de achtergrond te laten zien.

Dan heb je ook nog de keuze voor je beeldverhouding. Ga je voor de portretstand, dan zul je al snel merken dat de verhouding 3:2 doorgaans een vrij ‘hoog’ beeld oplevert. Het beeld bijsnijden tot circa 4:3 doet het bij verticale opnamen vaak veel beter.

In de nabewerking kun je er ook voor kiezen om een heel ander formaat te maken, bijvoorbeeld een vierkante uitsnede. Het kan heel verfrissend zijn om met een vierkant kader te werken; het is een goede compositietraining voor je oog. Een vierkant formaat straalt rust en evenwicht uit. Inmiddels raakt een vierkant formaat op sociale media redelijk ‘ingeburgerd’, voornamelijk omdat Instagram dat lange tijd als standaard had.

De perfecte pose van de uil met de muis, in combinatie met de rustige achtergrond en de vierkante uitsnede, maken dit een strakke en frisse foto.

Patrick Scholten
Canon 1D X II – ISO 1600 – F 5,6 – 1/320 SEC – 500 MM

Rechte horizon

Let erop dat je horizon recht staat. Niets zo storend als een leeglopende zee of scheve bomen en gebouwen in je foto. Je kunt in de nabewerking de foto alsnog rechtzetten, maar dat kost tijd en pixels. Bovendien heb je in je foto niet altijd een horizontale of verticale lijn en dan is het lastig rechtzetten.

Gebruik liever een van deze waterpas-tools:

  • een externe waterpas voor in je flitsschoen
  • de tegenwoordig vaak ingebouwde elektronische waterpas van je camera.

Tegenwoordig hebben camera’s vaak een elektronische waterpas ingebouwd.

Diepte creëren met lagen

Een foto die maar één laag in het beeld heeft, oogt vaak oninteressant. Je kunt dit oplossen door te zorgen voor een duidelijke voorgrond én achtergrond. Op locatie vind je doorgaans genoeg dingen die je als voorgrond kunt gebruiken. Je kunt kijken naar hekjes, muurtjes, planten en bloemen. Een roeibootje in een meertje of rivier is ideaal als voorgrond. Ben je aan het strand, dan moet je misschien een eindje lopen tot je een fotogenieke rots vindt. Op lege stranden kun je naar aangespoelde spullen zoeken, bij voorkeur iets dat in de strandomgeving past. Kom je poelen met water tegen, dan kun je deze ook gebruiken als voorgrond terwijl de lucht in het water wordt gereflecteerd, mooi bij een indrukwekkende wolkenlucht of een zonsondergang.

Het ligt misschien niet voor de hand, maar je kunt ook mensen als voorgrond gebruiken. Het voordeel is dat je, als je tenminste niet alleen reist, altijd een verplaatsbaar voorgrondobject bij de hand hebt. Een nadeel is dat steeds hetzelfde model misschien wat eentonig gaat worden, maar daar valt ook wel weer een humoristische serie van te maken.

Via de bloemen en bladeren op de voorgrond wordt het oog verder de foto ingeleid naar de hommel. Deze dieptewerking kijkt erg prettig.

René Spruijtenburg
Nikon D500 – ISO 100 – F 3 – 1/5000 SEC – 105 MM

Een kleiner object dat niet de hele voorgrond vult, kun je beter uit het midden plaatsen. Denk hierbij aan de regel van derden. Kun je helemaal niets vinden, neem dan de grond als voorgrond. Je kunt elke bodem gebruiken, of het nu gras, grind of rotsen betreft. Een extra dimensie voeg je toe als je mooie patronen, voetstappen of bijvoorbeeld afdrukken van vogelpootjes vindt. Fotografeer met de camera bijna op de grond.

Behalve in de voorgrond kunnen objecten ook ‘ergens in het midden’ staan om diepte in je beeld te brengen. Het oog van de kijker wordt via het object in de voorgrond langs het object in het midden naar de horizon geleid.

Lijnen gebruiken

Het oog van de kijker leiden doe je ook met lijnen in je beeld. Het is de kunst om hiervoor bestaande beeldelementen te gebruiken. Wegen, rivieren, bergruggen, houtwallen en stapelwolken kunnen op een natuurlijke manier de aandacht geleidelijk op het eigenlijke onderwerp van je foto vestigen. Dit zorgt voor een fijn kijkgemak!

Er zijn verschillende soorten lijnen, elk met hun eigen effect op je foto’s. Zo versterken convergerende lijnen (twee of meer lijnen uit verschillende gedeelten van je foto die op één punt bij elkaar komen) het ruimtelijk effect. Ze verlenen een beeld diepte. Denk aan spoorrails die langzaam naar de horizon lopen, om daar met elkaar te versmelten. Of de schorslijnen van een grillige eikenbast, die je leiden naar de nestholte met spechtenkuikens.

Met invoerende lijnen leid je de blik van de kijker naar een bepaalde plek in beeld. Zo’n invoerende lijn is vaak het mooist vanaf de benedenhoek naar boven. Liefst de linkerhoek, want je hebt geleerd om van links naar rechts te lezen. Zo’n lijn hoeft niet recht te zijn: een slingerende weg of een flauwe bocht is prima.

Het kronkelende paadje en de lichte mist aan het einde leiden je ogen de foto in. Door links en rechts een duidelijke boom in de voorgrond te plaatsen, krijgt de foto een soort frame, waardoor je ogen ook in de foto blijven.

Rob Visser
Nikon D5100 – ISO 200 – F 8 – 1/13 SEC – 35 MM

Als je invoerende lijn wordt gevormd door mensen, dieren of bijvoorbeeld een rij bomen, dan mag die best onderbroken worden; het brein van de kijker vult dit wel aan. De lijn dient naar het hoofdonderwerp of de horizon te lopen, maar mag niet uit beeld lopen.

Met diagonale lijnen maak je je beelden sterker door de grafische werking. Die zijn zeer geschikt voor onderwerpen met veel horizontale en verticale lijnen, zoals (details van) gebouwen en bollenvelden.

Driehoekscompositie

Over het algemeen is een foto waarin een oneven aantal objecten te zien is spannender om naar te kijken dan eentje met een even aantal. Denk aan vijf huisjes, zeven bomen op een rijtje, of drie fietsers ploeterend in een storm. Zodra je drie onderwerpen in beeld neemt, kun je vaak een mooie driehoekscompositie maken. Want tenzij ze allemaal op één lijn staan, kun je er een denkbeeldige driehoek overheen tekenen. Het hoeven echt niet drie dezelfde objecten te zijn. Dus behalve drie voetgangers of drie rotsblokken of drie bootjes, mag het ook best om een wandelaar, een boom en een wegwijzer gaan.

Belangrijk is hierbij wel dat je alles wat hier mogelijk van afleidt uit het beeld weglaat. Want loopt er bijvoorbeeld nog iemand of staat er nog een andere boom, dan verstoor je de driehoek. Bij het maken van een goede compositie is het daarom niet alleen zaak om objecten zo gunstig mogelijk in beeld te plaatsen, maar ook om alles wat er niet in hoort uit beeld te weren. Less is more is echt van toepassing op composities.

Kijkruimte

Fotografeer je mensen of dieren? Let dan op de kijkruimte. Een foto waarin iemand ‘tegen de rand van je beeld’ aan kijkt, is niet prettig om te zien. Het voelt dan alsof de blik wordt afgesneden, alsof diegene opgesloten zit in je foto. Ons menselijk brein wil graag zien waar degene die in beeld is naar kijkt. En dan hoef je niet eens dat object zelf te zien, maar er moet wel ruimte in die richting zijn.

Stel dat je bij een portret kiest voor een compositie volgens de regel van derden. De geportretteerde kijkt naar rechts. Dan zorg je dus dat de ogen op een linker kruispunt komen te staan (en dan meestal op het bovenste kruispunt, zodat er wat ruimte onder en naast het model is).

Bij dit zelfportret is goed rekening gehouden met de kijkruimte. Door in de richting die zij opkijkt meer ruimte te houden, is dit beeld prettig om naar te kijken.

Sammy Hermans
Canon 6D – ISO 125 – F 1,8 – 1/40 SEC – 85 MM

De basisprincipes van Photoshop: dekking en transparantie

Gebruik kleur en vorm als uitgangspunt