in

Diepte in je foto’s: geef de kijker de ruimte

Een foto op papier of op je beeldscherm is tweedimensionaal terwijl de wereld om ons heen driedimensionaal is. Om toch diepte in je foto’s te krijgen zijn er verschillende mogelijkheden. We geven je een aantal handige tips.

Al vanaf de begindagen van de fotografie probeert men beelden driedimensionaal te bekijken. Toen heette dat stereofotografie en de truc was om twee beelden vanuit een iets verschoven standpunt te maken. Die afstand was zo groot als de gemiddelde afstand tussen de twee ogen. Als je de gemaakte beelden dan later met een kijker bekeek, kreeg je een illusie van diepte. Er waren speciale stereocamera’s met twee objectieven en speciale stereokijkers, waarvan de viewmaster de bekendste was. Het effect was vaak verbluffend, maar een groot succes is het nooit geworden, omdat je er steevast hulpmiddelen voor moest gebruiken. Datzelfde geldt voor 3D-televisie. Ondanks enorme ontwikkelings- en reclamekosten is de klant nooit warmgelopen voor 3D-tv, omdat je het effect alleen kunt waarnemen met een brilletje op.

We zijn dus weer terug bij 2D. Saai? Welnee, je kunt ook in het platte vlak heel goed diepte suggereren met een aantal eenvoudige trucs.

Scherptediepte

Een kleine scherptediepte is waarschijnlijk de eenvoudigste methode om diepte in een foto te creëren. Bij weinig scherptediepte steekt het scherpe onderwerp af tegen een onscherpe achtergrond, zodat het daar los van komt. Macrofoto’s die van zichzelf een uiterst kleine scherptediepte hebben, vertonen veel diepte.

Voor de scherptediepte zijn drie zaken van belang: het sensorformaat, de lensopening (diafragma) en de afstand tussen camera, onderwerp en achtergrond. Om bij dat laatste te beginnen: wil je een onscherpe achtergrond, plaats het model dan op een flinke afstand van die achtergrond. In een landschap is dat meestal geen probleem. Benader het onderwerp zo dicht mogelijk of zoom zo veel mogelijk in. Aan het sensorformaat van jouw camera kun je niets veranderen, maar hiervoor geldt: hoe groter de sensor, des te kleiner de scherptediepte. Gebruik tot slot een zo groot mogelijke lensopening (klein diafragmagetal) voor een geringe scherptediepte.

Foto: Petervh

Perspectief

Met tele heb je het voordeel van een kleinere scherptediepte. Bij sterk tele worden objecten in elkaar gedrukt en ongeveer even groot afgebeeld. Je hebt dat effect vast weleens gezien op foto’s van een rij bomen of telefoonpalen achter elkaar. De bomen of palen lijken vlak achter elkaar te staan en nauwelijks van formaat te verschillen.

Bij groothoek kun je gebruikmaken van de perspectiefwerking. Het formaat van objecten op verschillende afstanden verschilt hier enorm. Objecten dicht bij de camera lijken heel groot, maar worden snel kleiner als de afstand toeneemt. Omdat je hersenen ‘groot’ als dichtbij en ‘klein’ als veraf registreren, krijg je ook hierdoor een indruk van diepte. Makelaars maken daar nogal eens gebruik van en laten een kamer op Funda veel groter lijken dan het in werkelijkheid is.

Foto: Stenger

Tegenlicht

Studiofotografen werken vaak met tegenlicht om een model los te maken van de achtergrond. Als licht in de richting van de camera schijnt, worden de randen van het onderwerp verlicht waardoor het afsteekt tegen de achtergrond. Tegenlicht is ook de perfecte lichttechniek voor macrofotografie en om mooie foto’s van voedsel te maken. Als de lichtbron (of zon) laag staat, valt de schaduw van het onderwerp tussen camera en onderwerp waardoor je een extra grafische dimensie krijgt, bijvoorbeeld bij straatfotografie. In een fotostudio maak je heel simpel tegenlicht door een studioflitser te verplaatsen. Als je als hobbyfotograaf portretfoto’s met meer externe flitsers maakt, is tegenlicht ook gemakkelijk naar je hand te zetten.

Maar meestal ben je afhankelijk van het bestaande licht. Je hebt dan in ieder geval zonlicht nodig. Vroeger luidde het advies om voor een probleemloze belichting altijd de zon in de rug te houden. Voor fotograferen met tegenlicht heb je wat meer inzicht en techniek nodig. Als je zonder meer afdrukt heb je grote kans op onderbelichting. Dat kan weliswaar boeiende silhouetten opleveren, maar voor detail in je onderwerp zul je de belichting moeten aanpassen. Je kunt het licht via een spotmeting (licht meten op één plek) bepalen of een correctie (van +1 tot +2) invoeren. Om te voorkomen dat de achtergrond overbelicht raakt, kun je het onderwerp ook met een invulflits ophelderen. Dit wordt veel bij portreten en macrofotografie gedaan. Gebruik een zonnekap om ongewenst invallend licht te vermijden. Soms moet je het opnamestandpunt iets wijzigen zodat de zon net achter jouw onderwerp of bijvoorbeeld een boom blijft en niet net in je lens schijnt zodat je vlekken in beeld krijgt. Je kunt overigens ook werken met zijlicht. Dat geeft grotendeels dezelfde voordelen als tegenlicht en minder kans op onderbelichting en invallend licht.

Foto: Titik

Voorgrond

Een landschap fotografeer je meestal met groothoek om zoveel mogelijk omgeving op de foto te krijgen. Het nadeel is dat alles nogal klein weergegeven wordt, zodat de foto vaak saai en oninteressant oogt. Je kunt dit oplossen door objecten in de voorgrond te plaatsen, waardoor er diepte in het beeld komt.

Op locatie vind je doorgaans genoeg dingen die je als voorgrond kunt gebruiken. Je kunt kijken naar hekjes, muurtjes, planten en bloemen. Een roeibootje in een meertje of rivier is ideaal als voorgrond. Ben je aan het strand, dan moet je misschien een eindje lopen tot je een fotogenieke rots vindt. Op lege stranden kun je naar aangespoelde spullen zoeken, bij voorkeur iets dat in de strandomgeving past. Dus niet een kapotte jerrycan, maar wel wrakhout en aangespoelde scheepsmaterialen zoals (felgekleurd) touw en scheepsboeien. Met gekleurd glas (en doorzichtige kwallen!) en tegenlicht kun je leuke effecten bereiken. Kom je poelen met water tegen, gebruik deze dan als voorgrond terwijl de lucht in het water wordt gereflecteerd, mooi bij een indrukwekkende wolkenlucht of een zonsondergang. Het ligt misschien niet voor de hand, maar je kunt ook mensen als voorgrond gebruiken. Het voordeel is dat je, als je tenminste niet alleen reist, altijd een verplaatsbaar voorgrondobject bij de hand hebt. Een nadeel is dat steeds hetzelfde model misschien wat eentonig gaat worden, maar daar valt ook wel weer een humoristische serie van maken.

Een kleiner object dat niet de hele voorgrond vult, kun je beter uit het midden plaatsen. Denk hierbij aan de regel van derden. Kun je helemaal niets vinden, neem dan de grond als voorgrond. Je kunt elke bodem gebruiken, of het nu gras, grind of rotsen betreft. Een extra dimensie voeg je toe als je mooie patronen, voetstappen of bijvoorbeeld afdrukken van vogelpootjes vindt. Fotografeer met de camera bijna op de grond. Camera’s met een uitklapbaar scherm en live view zijn hier duidelijk in het voordeel, je hoeft niet op de grond te liggen om door de zoeker te kunnen kijken. Soms – bijvoorbeeld bij een zonsondergang – is het nodig om het voorgrondobject op te helderen met flitslicht.

Behalve in de voorgrond kunnen objecten ook ‘ergens in het midden’ staan om diepte in je beeld te brengen. Het oog van de kijker wordt via het object in de voorgrond langs het object in het midden naar de horizon geleid.

Foto: Fveer

Invoerende lijnen

Een mooie manier om diepte in een landschapsfoto te brengen, is met invoerende lijnen die de kijker het beeld in leiden. Een invoerende lijn kan van alles zijn, een weggetje, een beekje, de oever van een rivier, een spoorlijn of de leuning van een bank of brug. Het mooist is als je zo’n invoerende lijn van de benedenhoek naar boven laat lopen. Liefst de linkerhoek, want je hebt geleerd om van links naar rechts te lezen. Als je een invoerende lijn, zoals een weg, wel exact in het midden plaatst, krijg je een symmetrisch beeld. De lijn hoeft niet kaarsrecht te zijn, een slingering of een flauwe bocht is prima. Als je invoerende lijn wordt gevormd door mensen, dieren of bijvoorbeeld een rij bomen, dan mag die ook best onderbroken zijn; het brein van de kijker vult dit wel aan. De lijn dient naar het hoofdonderwerp of de horizon te lopen, maar mag niet uit beeld lopen. Dit geldt niet bij diagonale lijnen die dwars door het beeld lopen; met dit vormmiddel suggereer je geen diepte, maar het maakt je beelden door de grafische werking wel sterker. Geschikt voor onderwerpen met veel horizontale en verticale lijnen, zoals (details van) gebouwen en bollenvelden.

Foto: pjhtheunissen

Doorkijkjes

Hoewel je natuurlijk liever zelf mooie foto’s maakt, kun je toch wel wat leren van de ansichtkaarten die aan toeristen worden verkocht. De makers laten zien dat ze weten hoe je diepte in foto’s brengt. Zo werken zij veel met een doorkijkje, iets waardoor je heen fotografeert. In een stedelijke omgeving, landgoederen en bij kastelen vind je vaak de nodige poorten en deuren. Fotografeer de omgeving door de opening en zorg dat de rand duidelijk zichtbaar is. In sommige gevallen kun je ook door het glas van een venster fotograferen. Controleer of het glas schoon is, zodat het geen vervorming geeft, hoewel dat laatste ook wel weer een mooi effect kan geven. Een kleine lensopening is meestal het beste. Zo krijg je zowel het doorkijkje als de achtergrond scherp. Je kunt ook een ‘plantaardig’ doorkijkje gebruiken door het beeld in te kaderen met takken en struiken, dit is vooral mooi bij tegenlicht.

Kleur, licht en weer

Een verschillende helderheid en kleur van de voor- en achtergrond kunnen ook diepte suggereren. Dit werkt het beste als de kleuren ongeveer tegenover elkaar in het kleurenspectrum staan, zoals geel/blauw en rood/groen. Zet bij een imposant berglandschap of een Noorse fjord iemand met rode of gele kleding in de voorgrond. Dat steekt geweldig af tegen de blauwgroene achtergrond en de kijker krijgt meteen een indruk van de grootte van het landschap.

Als je toch in de bergen bent, zul je zien dat ook het verschil in helderheid een diepte-indruk kan geven. Alles dichtbij is helder en kleurrijk en alles ver weg is minder helder door de nevel of laaghangende bewolking. Je hersenen interpreteren dat ook als verschil in afstand. Sta daarom een keertje vroeg op om van de ochtendnevel of mist te profiteren. Als de zon op een gegeven moment doorbreekt, zul je zien dat er door het verschil in helderheid de zo gewenste diepte ontstaat.

Samenvattend

Foto’s met meer diepte maken, is niet moeilijk. Er zijn verschillende manieren om diepte te suggereren en je kunt ze ook prima combineren. Om een voorgrond, een invoerende lijn of een doorkijkje te vinden hoef je vaak alleen maar om je heen te kijken. Om tegenlicht, een kleine scherptediepte of een boeiend perspectief te gebruiken, zul je wat minder op de volautomatische functie van je camera moeten vertrouwen en wat meer in moeten stellen. Het resultaat is zeker de moeite waard!


Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

De zonsopkomst fotograferen met een lange sluitertijd? Dit is het recept!

Werken met lichtvormers: de smaakmakers van het licht