in

Fotograferen in de stad: zo ga je ’s avonds om met licht en verlichting

Huizen en gebouwen ogen mooier en sfeervoller als er licht achter de ramen brandt. Want anders zijn de ramen donkere gaten in een gevel die zelf ook alleen maar het schaarse licht van een paar straatlantaarns opvangt. Zodra binnen de verlichting brandt, maak je dus de mooiste cityscapes. Bij woonhuizen hangt het er alleen maar net vanaf wie er die avond thuis is, dus heb je elke keer weer andere verlichte ramen op je foto’s.

Gaat het om een kantoor of bedrijventerrein, dan moet je vroeg op de avond langsgaan om verlichte ramen aan te treffen. Grofweg gedurende de periode met wintertijd wordt het al tijdens kantoortijd donker, waardoor jouw trefkans groter is. Zodra het personeel naar huis is, komt vaak de schoonmaakploeg nog even langs. Dan heb je geluk omdat de lampen nog een tijdje blijven branden.

Fotografeer je zodra de zon net onder is, dan is het nog niet helemaal donker. Vooral tijdens de tweede helft van het blauwe uur kleurt de lucht diepblauw en lijkt het voor het blote oog al aardig donker. Tegelijkertijd springt overal om je heen de kunstverlichting aan. Zodoende ontstaat heel even een mooie balans tussen de diepblauwe lucht en de warme geeloranje verlichting van de stad. Een ideaal moment om sfeervolle foto’s te maken. Ook ‘s morgens voor zonsopkomst kun je dit doen.

De kunstverlichting van een stad zorgt voor voldoende licht om sfeervolle foto’s te maken.Rene SiebringCanon EOS 6D II · ISO 100 · F 8 · 25 SEC · 28 MM

Overdag is er maar één lichtbron en dit directe of indirecte zonlicht zorgt ervoor dat alles om ons heen goed herkenbaar is. In het donker heb je in een stedelijke omgeving ineens te maken met talloze, kleinere lichtbronnen die zich aanzienlijk lager bevinden en daardoor bijna altijd pal in beeld staan. De omgeving wordt dus nog steeds verlicht, maar dat is verre van gelijkmatig. Sommige delen van een gevel, straat, of weg zijn fel verlicht omdat er een lamp in de buurt is, terwijl enkele meters verderop amper nog licht valt en je er bijna geen details kunt onderscheiden.

Dat maakt het een stuk lastiger om in het donker te fotograferen, maar het geeft je tegelijkertijd veel mogelijkheden om spannende en contrastrijke foto’s te maken. Zodra je een leuk straatje, een kleurrijke winkel, een gezellig restaurant, of een mooi gebouw fotografeert, is het nu allereerst belangrijk dat je voorkomt dat de verlichte gebieden die essentieel zijn voor de sfeer van dit beeld overbelicht raken. Want anders zie je op die plekken geen details meer, alleen maar een lelijke felle lichtvlek.

Daarom stel je de belichting zo af dat de verlichte ramen en geveldelen goed herkenbaar zijn en dus net niet overbelicht raken. Staan er bijvoorbeeld een paar lantaarnpalen in de buurt, dan mogen de lampkoppen wel gerust in egale lichtvlekjes veranderen. Je hoeft de “gloeidraad” dus niet te zien zitten. Het is een lamp. We zijn gewend dat ze fel zijn, dat oogt natuurlijk voor ons.

Anders dan overdag kun je ‘s avonds de lichtbronnen meestal niet uit beeld laten.Koekwous88.zoom.nlNikon D750 · ISO 50 · F 16 · 30 SEC · 28 MM

Waar je nu tegenaan loopt, is dat plekken waar minder of geen lamplicht valt te donker en dus (deels) onherkenbaar op de foto komen. Het lichtcontrast in de avond is namelijk te groot om alles goed belicht in één foto te vangen. Iets wat overdag doorgaans wel lukt.

Dit kun je op een aantal manieren oplossen. Wat met de camera’s van tegenwoordig prima lukt, is dat je de donkere gebieden in de nabewerking een stukje lichter maakt (zie hoofdstuk 6), waardoor ze alsnog voldoende herkenbaar zijn en goed in balans komen met de verlichte delen van de foto. Bij moderne sensoren is dit heel goed te doen, omdat de informatie in de donkere partijen wel degelijk in de foto aanwezig is. Op deze manier krijg je een foto met een natuurlijk ogend contrast, omdat ‘s avonds en ‘s nachts alles nu eenmaal niet egaal verlicht is en je dus altijd meer en minder verlichte gebieden hebt.

Een andere methode is dat je twee of meer foto’s met verschillende belichtingen maakt, waardoor op elke foto een ander gebied goed herkenbaar is. Door in de nabewerking via hdr-technieken de beste fotodelen samen te voegen, krijg je alsnog een foto waarop de omgeving goed te zien is. Hoe dit werkt, kon je al lezen in het onderdeel Avond-hdr (hoofdstuk 2). Houd ook nu liever wat contrast in je foto en maak het geheel niet te vlak, want anders lijkt het meer op een Anton Pieck-prent in plaats van een nachtelijke cityscape.

Maak de schaduwen in de nabewerking lichter, of combineer opnamen met verschillende belichtingen.Patrick-van-den-Hoorn.zoom.nlNikon D500 · ISO 100 · F 6,3 · 30 SEC · 10 MM

Er is verlichting die prachtig staat in jouw cityscape, maar er zijn ook lampen die je liever niet in de foto ziet. Een felle lantaarnpaal of gevellamp die pal in beeld staat en de aandacht afleidt van waar het in deze foto om gaat, wil je zien te voorkomen. Wat vaak helpt is een paar stappen opzij doen, zodat de felle lamp achter de stam of het bladerdek van een boom of achter een ander voorwerp verdwijnt.

Een lamp aan de zijkant van het beeld raak je kwijt door de camera een stukje te draaien en eventueel je standpunt bij te stellen tot je weer de gewenste compositie hebt. Pas op dat je een felle lantaarnpaal die pal naast je staat niet slechts een fractie buiten beeld draait. Want ook al zie je de lamp nu niet op het scherm of door de zoeker, zodra je een foto maakt, is de kans groot dat er grote lelijke lichtstrepen dwars door het beeld lopen.

Draai de camera dan nog iets verder van de lamp weg. Of houd je hand naast de zonnekap om het strooilicht af te schermen. Je merkt aan de schaduw die jouw hand op de zonnekap werpt vanzelf dat je goed zit. Zoals je ziet, gebruik je dus ook in het donker altijd de zonnekap. Want ondanks de naam zijn er nu meer dan genoeg lichtbronnen die je wilt afschermen. Dat lukt overigens nooit met lichtbronnen die pontificaal in beeld staan, alleen met lampen die zich voldoende opzij en dus achter de zonnekap bevinden.

Overal zijn felle lichtbronnen, dus gebruik ook nu de zonnekap (of is het dan een lampenkap?)dipoCanon EOS R5 · ISO 100 · F 8 · 8/10 SEC · 21 MM

Rondom lichtbronnen kunnen prachtige sterretjes verschijnen zodra je een klein diafragma kiest zoals F 11 of F 16. Draai je het diafragma verder open (denk aan F 2,8 of F 4), dan zie je nagenoeg alleen nog maar lichtbolletjes. Het stereffect hangt daarnaast sterk af van het gebruikte objectief. De ene lens geeft amper stervorming, terwijl bij een andere de sterpunten alle kanten op flitsen. Primes zijn er ook beter in dan zoomlenzen.

Niet alle verlichting blijft continu op dezelfde plek. Zodra er een fietser, auto, bus, tram, of een schip voorbijkomt, heb je ineens te maken met bewegende lichtbronnen. Net als bij een jogger die een lampje bij zich draagt. Tijdens de lange belichting die je vanaf statief maakt, beweegt deze verlichting door het beeld, waardoor je een fraaie lichtstreep in je foto krijgt. Daarmee voeg je schitterende lichteffecten toe aan jouw cityscape. Het enige wat je ervoor hoeft te doen, is een stukje straat of waterweg meenemen in je compositie. Het is mooi als de lichtstreep min of meer richting het hoofdonderwerp van de foto leidt, al zal dat in de praktijk niet altijd helemaal lukken.

Bij kleine lensopeningen kan stervorming rondom lichtbronnen ontstaan.yeroon86.zoom.nl

Hoe krijg je de mooiste lichtsporen? Allereerst verschillen lichtstrepen in intensiteit en lengte. Dat is afhankelijk van het gedrag van het onderwerp. Want iets dat langzamer rijdt, vaart, of loopt, zal feller op de foto komen, maar wel met een korter lichtspoor. Gaat het object sneller, dan neemt de intensiteit automatisch af en wordt het spoor langer. Verder zijn rode achterlichten net als remlichten sfeervoller. Koplampen zijn erg fel en zorgen snel voor overbelichting. Daarnaast loop je het risico op lensflare zodra ze richting de camera schijnen.

Aanvullend heb je er ook zelf invloed op. Want kies je een groter diafragma zoals F 2,8, dan ziet de lens veel meer licht en dus komt het spoor feller op de foto. Andersom dim je de streep door een kleiner diafragma zoals F 11 in te stellen. In beide gevallen moet je de belichting kloppend maken door ook de sluitertijd of de ISO-waarde mee te veranderen.

Door het diafragma meer of minder open te zetten en tegelijkertijd de sluitertijd te verkorten of te verlengen, zorg je ervoor dat de belichting constant blijft zodat de omgeving en het hoofdonderwerp steeds op de juiste manier op de foto komen. Je beïnvloed met deze techniek dus alleen het uiterlijk van het lichtspoor. Zo heb je als het ware een belichting binnen een belichting.

Lichtstrepen van het verkeer én sterretjes rondom de lantaarns.Original-Mostert.zoom.nlCanon EOS 5D IV · ISO 100 · F 16 · 60 SEC · 16 MM

Kinderen binnen fotograferen in de reportagestijl: tips en techniek

Leica Vario-Elmarit SL 24-70 f2.8 ASPH