in

Het blauwe uur: de perfecte tijd voor cityscape fotografie

Het blauwe uur is ideaal om in een stad, plaats of dorpje te fotograferen. ’s Avonds wordt de lucht geleidelijk aan donker en kleurt die steeds dieper blauw. Tegelijkertijd springen overal de lampen aan. Veel kunstverlichting heeft een warme kleur, wat voor een prachtig contrast met de koelblauwe lucht zorgt. Hoe maak je de mooiste stadsfoto’s?

Zo’n mooie tegenstelling tussen de warme kunstverlichting en de koelblauwe lucht maak je alleen tijdens de bijzondere periode van het blauwe uur mee. Daarnaast blijft dankzij kunstverlichting de omgeving prima herkenbaar. Het blauwe uur is niet voor niets dé periode waarin avond- en nachtfotografen massaal aan de slag gaan.

De perfecte periode

Omdat het mooiste deel van het blauwe uur niet zo heel lang duurt, moet je ervoor zorgen dat je er op tijd bij bent. Want het ene moment is het nog te licht, terwijl even later het perfecte moment alweer voorbij is en het net iets te donker is geworden.

Gelukkig wil dat ook weer niet zeggen dat je maar een paar minuten de tijd hebt om te fotograferen. Juist omdat het licht doorlopend verandert en jouw foto’s er met de minuut anders uitzien, is dit een uitgelezen kans om gevarieerde beelden te schieten.

Levendigheid

Waar bij landschapsfotografen vooral het blauwe uur aan het begin van de dag geliefd is, gaan stadsfotografen vaker op stap tijdens het blauwe uur in de avond. Dat komt onder andere omdat er dan meer menselijke activiteit is. Een straatje met monumentale panden oogt immers aanzienlijk mooier als binnen de verlichting brandt, en die kans is in de avond groter dan ’s morgens in alle vroegte.

Contrast

’s Avonds aan het begin van het blauwe uur is het nog behoorlijk licht. De zon is immers nog maar net ondergegaan. De lucht is daardoor vrij fel, terwijl de stad zelf er een beetje vlakjes uitziet omdat daar geen (direct) zonlicht meer op valt. Langzaam krijgt alles een blauwige kleurzweem dankzij die grote blauwe softbox boven onze hoofden. Zodra de straatverlichting aanspringt en binnen in huizen her en der de lichten aangaan, complementeert dat prachtig met al het blauw.

Omdat het contrast tussen lucht en omgeving nu nog best groot is, zal de lucht erg licht op de foto komen of de bebouwing veel te donker. Met een grijsverloopfilter kun je eventueel de helderheid van de lucht een beetje temperen. Alleen dek je dan ook een deel van de huizen/gebouwen af, waardoor een grijsfilter met een zacht verloop de beste keuze is.

Als alternatief kun je zonder filter werken en in de nabewerking de helderheid van de lucht verlagen en die van de omgeving lichter maken. Een hdr-foto maken is een nettere oplossing. Je maakt dan twee of meer opnamen met verschillende belichtingen en voegt ze achteraf samen. Eerder in dit hoofdstuk leerde je al hoe je een avond-hdr maakt.

Op zoek naar balans

Na ongeveer een kwartier of twintig minuten merk je dat het om je heen zichtbaar donkerder wordt. De helderheid van vooral de lucht zakt in, waardoor deze beter in balans komt met de omgeving. Nu is het belangrijk om alert te zijn en regelmatig foto’s te blijven maken. Want de lucht wordt nu snel donkerder en zal een alsmaar diepere kleur blauw laten zien, terwijl tegelijkertijd alles in de omgeving dat via kunstlicht wordt verlicht een steeds warmere tint krijgt. Denk aan gevels, ramen van huizen waar mensen aanwezig zijn, maar ook het bladerdek van bomen en het wegdek in de buurt van lantaarnpalen.

Kortom, plotseling ontstaat de perfecte balans tussen de helderheid van de blauwe hemel en de helderheid van het door kunstlicht verlichte stadslandschap. Waar geen kunstlicht valt, zal de omgeving nu nagenoeg donker zijn. Ook nu is het een idee om hdr-foto’s te maken, ditmaal omdat de helderheid van verlichte ramen en de koppen van lantaarnpalen erg hoog is en snel tot overbelichting leidt.

Eind van het blauwe uur

Zoals gezegd duurt deze balans niet lang. Naarmate het einde van het blauwe uur nadert, zal de lucht zo donker worden dat hij voor het blote oog amper nog blauw is. Vergis je niet, jouw camera ziet nog steeds voldoende blauw, omdat de beeldsensor erg gevoelig is. Blijf daarom gerust door fotograferen tot het einde van het blauwe uur of iets er voorbij. Daarna pakken veel avond- en nachtfotografen hun fotospullen weer in en gaan naar huis. Waarom? Omdat ze de zwarte lucht niet mooi vinden staan in hun stadsfoto’s. Dat is natuurlijk vooral een kwestie van smaak. Vind jij dat wel mooi, dan kun je ook na het blauwe uur nog steeds prachtige beelden schieten.

Belichten

Tijdens het blauwe uur heb je in een stedelijke omgeving lange belichtingen nodig. Werk daarom vanaf statief en gebruik het liefst een afstandsbediening, of toch minimaal de ingebouwde timer.

Diafragma en iso

Het is handig om vervolgens eerst een geschikt diafragma in te stellen, zodat je het mooiste deel van de omgeving scherp in beeld krijgt. Dat zal vaak F 8 of F 11 zijn, al is F 2,8 of F 4 ook mogelijk als het meer om een detail gaat waarop je inzoomt. De iso-waarde stel je lekker laag in, op zoiets als iso 100 of 200. Gebruik liever geen auto-iso, want dan loopt de iso-waarde onnodig hoog op en dat is nergens voor nodig.

Automatische sluitertijd

Dan blijft alleen de sluitertijd nog over. Die kun je automatisch door de camera laten bepalen, maar mag je natuurlijk ook zelf instellen. In de Av-stand stel je alleen het diafragma en de iso-waarde in, waarna jouw camera de bijbehorende sluitertijd kiest. Mocht je de foto te licht vinden, dan gebruik je een belichtingscompensatie om dit te corrigeren, door deze bijvoorbeeld op -1 of -2 te zetten. De camera kiest vervolgens vanzelf een kortere belichtingstijd om de foto wat donkerder te maken. Andersom los je een te donkere foto op met een belichtingscompensatie van bijvoorbeeld +1.

Sluitertijd zelf bepalen

Het heeft wel voordelen als je zelf de sluitertijd instelt. Daarmee voorkom je onder andere dat de helderheid van je foto’s varieert. Hiervoor schakel je over naar de M-stand. Doordat je naast het diafragma en de iso-waarde nu ook de sluitertijd instelt, zal de fotoreeks vanaf nu consistent belicht worden. Wordt het donkerder, dan moet je er wel aan denken dat je zelf de sluitertijd moet aanpassen.

Maar hoe weet je welke sluitertijd je nodig hebt? Dat kan de sluitertijd zijn die de camera daarnet in de Av-stand voor jou heeft gekozen en die een goed belichte foto heeft opgeleverd. Of je maakt zelf een schatting en neemt dat als uitgangspunt. Misschien ben je hier vaker geweest of heb je onder soortgelijke omstandigheden gefotografeerd en heb je toentertijd een sluitertijd van 30 seconden gebruikt. Dan is dat een prima uitgangspunt.

Blijkt de foto te licht te worden? Halveer de sluitertijd dan tot 15 seconden en waag een nieuwe poging. Of verdubbel hem als de testfoto veel te donker is. Varieer niet met een paar seconden, maar zet grote stappen. Het verschil tussen 30 seconden en 29 of 31 seconden is namelijk verwaarloosbaar klein. Begin daarom met halveren of verdubbelen. Eventueel kun je daarna altijd nog finetunen via kleinere stappen.

Overige camera-instellingen

Staalblauw

Bij het terugkijken van foto’s vind je de blauwe lucht misschien een beetje tegenvallen, terwijl je wel precies op het juiste moment tijdens het blauwe uur hebt gefotografeerd. Kijk dan eens naar de verlichte gebouwen op die foto’s. Waarschijnlijk zijn ze overdreven geel of oranje gekleurd. Dat kan er mooi uitzien, maar is meteen ook het teken dat jouw camera de verkeerde witbalans heeft gekozen. Omdat de kleuren in de foto te veel zijn opgewarmd, is de intens blauwe lucht verdwenen. Koel je deze foto een beetje af in de nabewerking, dan krijgt de bebouwing een realistischere kleurtint die nog steeds prettig warm aandoet. Tegelijkertijd zal de lucht nu wel diepblauw zijn.

Zolang de witbalans op automatisch staat en je in raw fotografeert, is het eenvoudig om achteraf nog kleurcorrecties aan te brengen. Zonder enig kwaliteitsverlies. Werk je in jpeg, stel dan al tijdens het fotograferen de juiste witbalans in! Want dan kun je naderhand slechts beperkt kleurcorrecties uitvoeren en gaat het wel ten koste van de beeldkwaliteit. Je leest meer over nabewerking in het vierde deel van deze cursus.

Ook als je liever meteen op het scherm ziet hoe de kleuren uitpakken, kun je het beste de witbalans van de camera alvast instellen. Kies dan een voorinstelling waarbij de kleuren zo goed mogelijk overeenkomen met wat je om je heen ziet of hoe je ze graag in de foto wilt hebben.

Dubbellang

Zodra je een foto met een lange belichting maakt, zal er waarschijnlijk iets opmerkelijks gebeuren. Stel dat je een sluitertijd van 10 seconden instelt en je drukt af. Dan is de kans groot dat je in plaats van 10 seconden maar liefst 20 seconden staat te wachten tot de foto eindelijk klaar is. Hoe kan dat? Bij lange belichtingen passen camera’s een speciaal soort ruisreductie toe. Deze ruisreductie bij lange sluitertijden is iets anders dan de gewone ruisreductie die specifiek wordt gebruikt bij hoge iso-waarden.

Hoe zit dat? Zodra de belichting klaar is, wordt de sensor nog een tweede keer met dezelfde tijdsduur belicht, maar dan zonder dat de sluiter wordt geopend. Dat levert een zwarte foto op met alleen beeldruis. Dit zwarte beeld wordt gebruikt om de ruis uit de echte foto weg te poetsen. Vandaar dat de belichtingstijd precies twee keer zo lang is geworden.

Een groot nadeel van deze camerafunctie is dat je al die tijd geen nieuwe foto’s kunt maken. Daardoor loop je het risico om bijzondere fotomomenten mis te lopen.

Dit los je op door ruisreductie bij lange sluitertijden uit te schakelen in het cameramenu. Je hoeft dan niet meer onnodig te wachten, en kunt achter elkaar door fotograferen. De meeste ongewenste spikkels verdwijnen vanzelf tijdens het importeren in Lightroom. Mochten er onverhoopt een paar overblijven op een storende plek, dan werk je die eenvoudig weg met het retoucheerpenseel. Hoe je dit doet, leer je in het deel over nabewerking. Natuurlijk mag je ruisreductie bij lange sluitertijden ook ingeschakeld laten als je dat prettiger vindt.

Locatie

Stad met water

In Amsterdam, Haarlem, Alkmaar, Utrecht, Dordrecht, Amersfoort en vele andere steden, maar ook in kleinere plaatsen en dorpen, vind je schilderachtige huizen, monumentale panden en sierlijk verlichte bruggen langs het water. Dat zijn ideale locaties voor avondfoto’s.

Vooral bij windstilte ontstaan fraaie reflecties, omdat het water als een spiegel fungeert. Staat er veel wind of is er stroming, dan vervaagt het water dankzij de lange sluitertijd en ontstaan schitterende vervagingseffecten. Het water lijkt dan meer op geborsteld staal of een ijslaag. Ook wolken vervagen, mits ze voldoende snelheid hebben en je lang genoeg belicht, waardoor je dynamische streeppatronen in de lucht te zien krijgt.

Stadstaferelen

Ook klinkerstraten met mooie huizen ernaast en pleintjes doen het erg goed. De straat zelf kun je perfect gebruiken als leidende lijn om de aandacht van de kijker door het beeld te leiden. Een bocht of kronkel in de weg of de ronding van een plein is helemaal perfect, dat maakt het beeld wat speelser en spannender.

Je kunt het statief helemaal uitschuiven zodat je ongeveer vanaf ooghoogte fotografeert. Daarmee laat je de wereld zien vanuit een standpunt zoals we dat gewend zijn. Maar wat ook juist kan is je statief grotendeels ingeschoven laten en er op je hurken bij gaan zitten. Dat werkt vooral goed als er een mooie voorgrond is, want die komt nu extra nadrukkelijk in beeld. Denk aan de keien van dat klinkerstraatje of een pleintje.

Of bij een natte straat de spiegelgladde reflectie op water. Zelfs herfstbladeren die op wat grotere plassen water dobberen of voorbij drijven zorgen voor bijzondere effecten in de vorm van goudkleurige kronkel- en streepeffecten.

Leuke effecten

Vervaging en lichtsporen

Alles wat binnen het beeld beweegt en onverlicht is, zal nagenoeg onzichtbaar worden en dus niet in jouw foto verschijnen – zolang je maar lang genoeg belicht. Overlichte fietsers en voetgangers raak je dus makkelijk weer kwijt. Iemand die langere tijd stilstaat op bijvoorbeeld een brug, krijg je weer wel te zien. Misschien vervaagd of als schim, tenzij iemand wereldkampioen is in stilstaan.

Schepen, auto’s, trams, bussen, vliegtuigen en andere objecten met eigen verlichting zullen juist wel duidelijk in een foto te zien zijn. Omdat ze in beweging zijn tijdens de lange belichting, veroorzaken ze kleurrijke lichtsporen die erg fraai zijn in avondfoto’s. Door slim je instellingen te kiezen kun je enorm variëren met de helderheid en vorm van deze lichtsporen. Je leert hier in het volgende cursusonderdeel meer over.

Lichtsterretjes

In een stedelijke omgeving is altijd wel verlichting aanwezig. Daarmee is het een ideale omgeving om te spelen met stervorming. Kies je een kleine lensopening, zoals een diafragma van F 11 of F 16, dan veranderen puntlichtbronnen in sterretjes. Dat ziet er bijzonder fraai uit in avondfoto’s. Houd er wel rekening mee dat bij de allerkleinste lensopeningen de beeldkwaliteit een beetje achteruitgaat.

Stel dat de kleinste lensopening van een objectief F 32 is, dan geven vooral F 22 en F 32 een fractie waziger en minder scherp beeld. Is het kleinste diafragma F 22, dan merk je het met name bij F 16 en F 22. Daarom moet je voor jezelf een afweging maken of je per se voor de maximale stervorming gaat door de allerkleinste lensopening te gebruiken, of dat je met iets minder stervorming ook tevreden bent, waarbij je met een scherpere foto naar huis gaat.

Probeer gerust een keer een reeks lensopeningen uit, bijvoorbeeld F 8 tot F 22 of F 32. Bekijk deze beelden op ware grootte op je computerscherm en je weet precies waar je aan toe bent. Niet elk objectief geeft overignes precies dezelfde stervorming. Dat varieert sterk per merk en zelfs per objectief. Bij grote lensopeningen zoals F 2,8 of F 4 is altijd maar weinig stervorming te zien.

Gezocht: onontdekte pareltjes in het Verenigd Koninkrijk

Dit heb je nodig voor het fotograferen van sterren en de maan