in

Het fundament van Photoshop: foto’s samenvoegen

Als je twee foto’s opent om die te combineren, verschijnen ze in aparte tabbladen. Klik in de ene foto met rechts op de laag Achtergrond, kies Laag dupliceren en selecteer in het venster dat opent bij Document de naam van de andere foto. Hiermee kopieer je de huidige foto als laag naar de andere foto. Het huidige tabblad kun je nu sluiten, waarna je alleen het tabblad met de twee lagen (twee foto’s) overhoudt.

Verzeker je ervan dat de bovenste laag actief is en selecteer het gedeelte van de foto dat je wilt gebruiken (dus óf de lucht óf het landschap). Vervolgens zet je dit om naar een laagmasker via Laagmasker toevoegen onder in het lagenpaneel. Alles wat je zojuist geselecteerd hebt, wordt wit in dat laagmasker en zal daardoor zichtbaar blijven.

De rest wordt transparant omdat het zwart is, waardoor je daar de onderste foto ziet. Zo combineer je dus de lucht van de ene foto met het landschap van een andere foto. Op dezelfde manier kun je allerlei soorten foto’s samenvoegen.

Dupliceer de ene foto als een laag naar de andere foto.

Selecteer het mooiste deel van de bovenste foto. Dankzij het nieuwe laagmasker wordt de rest ingevuld met beeldmateriaal uit de foto eronder.

Zodra je meerdere fotolagen hebt, wil je ze waarschijnlijk apart bewerken. Alleen zijn aanpassingslagen van toepassing op alle onderliggende lagen waarop pixels zichtbaar zijn. Om de lucht en het landschap apart te bewerken, moet je alle lagen die bij elkaar horen daarom aan elkaar koppelen.

Beweeg de muispijl met ingedrukte Alt-toets (Option-toets op de Mac) naar de scheiding tussen een laag en de onderliggende laag in het lagenpaneel. Zodra de standaardpijl in een vierkantje met een pijltje verandert, druk je op de linkermuisknop. Hiermee springt de laag een stukje in, als teken dat hij nu gekoppeld is aan de laag daar direct onder. Ook wordt een kleine pijl links van de laagminiatuur getoond. Dit doe je niet alleen bij de aanpassingslagen, maar ook bij de fotolaag zelf waarbij ze horen.

De aanpassingslagen moeten wel op de juiste positie staan, wil je ze kunnen koppelen. Oftewel precies boven de fotolaag waarop ze betrekking hebben. De volgorde van lagen verander je waar nodig door op een laag te klikken en die door de stapel te slepen. Wil je dat een aanpassingslaag juist wél invloed heeft op alle fotolagen? Plaats dat exemplaar dan ergens boven op de stapel en koppel hem nergens aan.

De onderste (achtergrond)laag kun je trouwens niet zomaar verplaatsen. Tenzij je erop dubbelklikt en in het venster Nieuwe laag op de knop OK drukt. Hiermee zet je de vergrendelde Achtergrond-laag om in een gewone laag die wél verplaatsbaar is.

Koppel aanpassingslagen aan de fotolaag waarop ze betrekking hebben.

Lagen zijn bij uitstek geschikt om fotomontages mee te maken. Hierbij plaats je stukjes van een (of meer) foto(’s) in een andere foto. Je plaatst de basisfoto onder in het lagenpaneel. De andere foto of foto’s zet je erboven. Daarna selecteer je het deel dat je wilt gebruiken.

In plaats van dat je via een laagmasker de rest van deze foto verbergt, kopieer je jouw selectie naar een nieuwe laag via Laag, Nieuw, Laag via kopiëren of met de toetscombinatie Ctrl+J (Cmd+J op de Mac). De bronfoto kun je daarna verbergen door het oogje van die laag uit te klikken, of door de laag te verwijderen als je er geen andere delen uit nodig hebt.

Met het gereedschap Verplaatsen zet je het uitgesneden stuk op de juiste plaats en met Vrije transformatie breng je het eventueel op schaal. Uiteraard mag je ook deze nieuwe laag verbeteren met aanpassingslagen.

Kopieer een selectie naar een nieuwe laag om een fotomontage te maken.

Standaard dekken de pixels van een laag alle onderliggende lagen af, tenzij je ze via bijvoorbeeld een masker transparant maakt. Wat ook kan, is een laag gedeeltelijk doorzichtig maken, waardoor je twee foto’s als het ware met elkaar vermengt tot een dubbelopname. Selecteer de bovenste laag en verlaag de Dekking in het lagenpaneel om de gewenste transparantie in te stellen.

Een andere manier om twee foto’s te mengen, is door links naast Dekking de zogenaamde Overvloeimodus te veranderen. Verander Normaal bijvoorbeeld in Lichter om automatisch de donkere delen van deze laag transparant(er) te maken zodat je daar de onderliggende lagen ziet, of kies Donkerder of Vermenigvuldigen als je juist de lichtste delen wilt vervangen. Zo bestaan er verschillende overvloeimodi om lagen op een specifieke manier te mengen.

Dubbelklik je achter een laagnaam, dan opent het venster Laagstijl. Hier vind je nog iets meer mogelijkheden om lagen te laten overvloeien. Waaronder schuifregelaars waarmee je een drempel instelt, dus hoe licht of hoe donker pixels moeten zijn om ze transparant te maken.

Met een overvloeimodus vloeien lagen samen zonder dat je eerst een selectie hoeft te maken.

Tekstlagen

Wil je tekst aan een afbeelding toevoegen? Zodra je met het tekstgereedschap ergens in de foto klikt, wordt automatisch een speciale tekstlaag toegevoegd. Hierdoor blijft de tekst gescheiden van de fotolaag en kun je beide onafhankelijk van elkaar bewerken. De tekst verplaatsen, vergroten, veranderen of weer weghalen kan daardoor zonder dat je de afbeelding beschadigt. Roep je het venster Laagstijl op met een dubbelklik achter de laagnaam, dan kun je onder andere mooie schaduwen of een gloed toevoegen aan de binnen- of buitenzijde van de letters.

Heb je veel lagen in een foto aangebracht, dan raak je mogelijk het overzicht kwijt. Je ziet in het lagenpaneel dan één lange rij lagen, maar wat is nu wat …? Zelfs als je alles duidelijke namen geeft, ziet het geheel er overweldigend uit.

Een oplossing is dat je alle lagen die iets met elkaar te maken hebben, groepeert. In ons landschapsvoorbeeld kunnen dat bijvoorbeeld vier groepen zijn: algemeen, het hert, de lucht en het landschap.

Selecteer de lagen die bij elkaar horen en klik onder in het lagenpaneel op Nieuwe groep maken. De geselecteerde lagen worden daar dan meteen naartoe verplaatst. Geef de groep weer een duidelijke naam. Je mag ook eerst een groep aanmaken en de lagen er vervolgens naartoe slepen. Elke groep kun je open- of dichtklappen, zodat je altijd het overzicht houdt.

Houd het overzicht door lagen in groepen te plaatsen.

Op pad in het dorp: composities voor de kleine straatjes

Dit zijn de meest gemaakte fouten met sluitertijd