in

Meerdere elementen scherp in één beeld: balanceer je belichting

Het gebeurt je als fotograaf geregeld; er zijn verschillende onderwerpen in één beeld die je scherp op de foto wilt zetten. Dat is meestal geen probleem, behalve als de lichtomstandigheden niet optimaal zijn en de onderwerpen op verschillende afstanden van je camera staan. Hoe kun je het dan toch voor elkaar krijgen?

Om het probleem te begrijpen is het belangrijk om te snappen hoe scherpte werkt. Scherpte kun je zien als een ‘vlak’ dat paralell aan je sensor in het beeld staat. Afhankelijk van je gekozen diafragma en de scherpstelafstand is dat vlak diep of ondiep. Met andere woorden: je ziet dan de werking van de term scherptediepte in de praktijk.

Bij uitdagende lichtomstandigheden ben je geneigd met een groot diafragma te werken omdat er op die manier lekker veel licht je beeld binnenkomt. Dat werkt prima, want je camera vangt veel meer licht bij f/1.8 dan bij f/5.6. Bijkomend effect is natuurlijk wel dat de scherpte veel sneller weg zal lopen bij f/1.8 dan bij f/5.6. Zijn er in dat geval meerdere elementen in het beeld aanwezig die je scherp op de foto wilt (of moet) zetten, dan heb je dus een probleem. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als je een portret wilt maken waar twee mensen op staan.

Beheers je instellingen

Het allereerste wat je kunt doen om toch met een scherp en goed belicht beeld thuis te komen is het balanceren van je instellingen. Zoals je weet werken je sluitertijd, diafragma en de iso-waarde samen en hebben ze allemaal invloed op elkaar. Als fotograaf is het de kunst om in elke situatie in te kunnen schatten aan welke knoppen je moet draaien om een probleem op te lossen. Want let op: dat is niet altijd dezelfde knop. In het geval van ons probleem is het verstandig om te kiezen voor een zo klein mogelijk diafragma. Het ligt aan de situatie en vooral aan de afstanden tussen jou en je onderwerpen welk diafragma dat moet zijn om alle elementen die je scherp wenst te fotograferen ook daadwerkelijk scherp vast te leggen. Dat kan f/5.6 zijn, maar dat kan ook f/11 zijn. Ga dat dus allereerst na. Daarna pas je de sluitertijd en de iso-waarde aan (respectievelijk dus langer en hoger) om tot een goede belichting te komen. Onthoud dat er ook in de nabewerking nog plek is voor het finetunen van de belichting. Haal dus niet alles ter plekke uit je bestanden, maar maak je beelden gerust wat te donker. Als je in RAW werkt, dan kun je dat achteraf vaak prima rechttrekken. 

Controleer de omgeving

Een andere oplossing: beïnvloed je omgeving en zorg dat de elementen dichter bij elkaar komen te staan. Als de twee elementen die je scherp wilt fotograferen dichter bij elkaar staan wordt het gemakkelijker om ze tegelijk scherp te fotograferen. Als je invloed hebt op de positie van de elementen, zorg er dan voor dat je die invloed ook gebruikt. 

Zorg voor extra licht

Het onderliggende probleem in deze kwestie is het gebrek aan licht. Als er voldoende licht aanwezig zou zijn, dan zou je gewoon f/11 kunnen gebruiken om het scherpteprobleem voor eens en voor altijd op te lossen. Maar dat gaat niet, want dan wordt je foto hopeloos onderbelicht. Een oplossing kan dus zijn om extra licht mee te nemen, in de vorm van een lamp of een flitser. 

High key en low key

Panasonic LUMIX GH5 M2