in

Portretfotografie: maak de juiste keuzes in compositie, diafragma en objectief

Slimme, doordachte keuzes zijn bij het maken van een portret onontbeerlijk. Niet alleen de modelkeuze. Compositie, diafragma, objectiefkeuze en inkadering maken het verschil tussen een gemiddeld en een topportret. We helpen je door deze keuzestress, op weg naar het ultieme portret.

Op het moment dat je met je model op locatie staat, maak je als fotograaf een aantal keuzes. Hoe zorg je dat niets afleidt van je model en dat de kijker direct naar het model wordt geleid? Hoe voorkom je dat een model vervormd in beeld komt? En hoe leg je de scherpte en onscherpte precies op de juiste plekken?

Allemaal zaken die je regelt in de eerste, technische fase. Het is goed deze fase te scheiden van de tweede: de sociale omgang met je model. Als je namelijk de hele shoot bezig blijft met instellen en veranderen van de techniek, leidt dat niet alleen tot stress bij jezelf. Je model wordt er ook onzeker van. Het credo is dan ook: stel alles wat er in te stellen valt eerst goed in en ga dan pas de interactie aan met je model.

Compositie

Allereerst is het belangrijk dat je de goede compositie kiest bij het vastleggen van je model. Wil je een portret met context of een puur portret van alleen het gezicht? Als je de achtergrond mee laat doen, heb je meer met compositiekeuzes te maken. Zo kun je perspectief gebruiken in de achtergrond. Stel je model op in een lange gang en alle lijnen lijken naar het model te lopen. We noemen dit inleidende lijnen. Ze wijzen naar het model, zodat je ook direct die richting op kijkt. Als je op tv naar het journaal kijkt, zul je de geïnterviewde ook vaak in zo’n lange gang zien staan. De cameraman gebruikt dan inleidende lijnen voor zijn compositie.

25%

Een andere veel gebruikte compositieregel bij een portret is de gulden snede. Als je denkbeeldig vier lijnen trekt op steeds 25% van de hoek van een beeld, krijg je vier snijpunten. Wetenschappers hebben ooit onderzocht dat je oog een beeld het eerste op deze plekken scant. Een belangrijk onderwerp kun je dus het beste op een van de snijpunten van de gulden snede plaatsen. Bij een portret zijn dat de ogen of het gezicht van je model. Als je dit goed doet, heb je aan de andere kant van het beeld ruimte over om iets op de achtergrond te plaatsen.

Gulden snede grid

In je cameramenu zit meestal de optie om een grid aan te zetten. Er is ook een grid met de strepen precies op de gulden snede. Kijk in de gebruiksaanwijzing of google even waar bij jou de menu-optie zit.

Driehoeksverhouding

Bij een portret zonder context zijn de mogelijkheden wat beperkter. Vaak kun je dan werken met geometrische vormen. De driehoeksverhouding in een gezicht is daar een goed voorbeeld van. De ogen en mond vormen samen die driehoek. Als kijker is het prettig een geometrische vorm te vinden in het beeld. Dat kan ook een vierkant of cirkel zijn. Zoek er bewust naar als je een close portret maakt. De vorm kun je ook creëren door een accessoire te gebruiken, bijvoorbeeld een hoed of sjaal.

Bij een close portret kun je ook de symmetrie accentueren. Je hebt al twee ogen, waardoor het beeld algauw enige symmetrie vertoont. Als je dit aanzet door de haardracht aan twee kanten hetzelfde te houden, de handen op dezelfde manier te plaatsen en het model recht in de camera te laten kijken, is je symmetrische plaatje compleet.

Uitsnede

Zijdelings verbonden met de compositie is de uitsnede van een portret. Bij een portret met achtergrond kies je vaak voor een totaal of half totaal beeld. Op een totaaluitsnede staan zowel hoofd als voeten, een half totaal begint boven de heupen. Deze uitsneden gebruik je vooral als je een modisch of weids beeld wilt maken, waarin alles van de persoon zichtbaar moet zijn.

Als je dichterbij gaat werken, krijg je een ander effect. Je kruipt letterlijk en figuurlijk op de huid, waardoor je foto intiemer wordt. Het karakter van een persoon is beter te zien als je alleen een gezicht in beeld brengt.

Bij een close-up komt er weer een andere keuze om de hoek kijken. Houd ik het kader gesloten of maak ik het open? Bij een gesloten kader sluit je het gezicht op door de randen van het beeld. Aan alle kanten van het gezicht zit dus ruimte. Meestal is het mooier de ruimte aan alle kanten min of meer gelijk te houden. En niet een halve millimeter ruimte over te houden; de inkadering lijkt dan wat willekeurig. Kies voor een duidelijk gesloten kader of trek het kader open. Bij de open variant snijd je delen van het gezicht aan. Dat kan aan de onderkant zijn, maar op gevoel zie je direct dat snijden in hals of kin er vaak wat vreemd uitziet. Aansnijden van het voorhoofd van een persoon is een betere keuze. Je kruipt bovendien nog dichter op de persoon. Ook heb je minder last van randzaken in de achtergrond zoals brandslangen, ramen en stoelleuningen. Je beeld wordt cleaner, de impact van de ogen groter. Probeer eens hoever je kunt gaan, ook aan de zijkanten kun je soms nog prima snijden. De vraag is: wanneer is het teveel? Je zult zien dat je best ver kunt gaan voordat je echt iets gaat missen.

Standpunt

De volgende keuze is het standpunt. Verreweg de meeste portretten worden gemaakt vanaf ooghoogte van het model. Zo creëer je gelijkheid en intimiteit. Soms is het beter een andere hoogte aan te houden. Bij een portret van bovenaf kijk je letterlijk neer op de persoon. Dit kan goed werken, maar de persoon lijkt ook kleiner en minder belangrijk. Het tegenovergestelde geldt voor het standpunt van onderaf. Je kijkt tegen de persoon op, hij lijkt groter en belangrijker. In films wordt dit standpunt vaak gebruikt bij superhelden als Rambo en Mr Bean. Een belangrijk nadeel van een laag standpunt is de kans op onderkin. Maak je een portret in opdracht van je model, dan zul je minder vaak van onderen fotograferen. Voor filmposters des te meer.

Objectief

Niets zo vervreemdend als een portret met een fisheye objectief of met een super telelens. De verhoudingen in het gezicht zijn volledig zoek. Bij een fisheye lijkt de neus ineens megagroot ten opzichte van de oren, bij een super tele lijken de oren tegen de ogen aan gedrukt. Ik noem even de extremen, maar deze effecten werken zij het in mindere mate door bij elke groothoek en heel veel teleobjectieven. Grofweg alle brandpunten onder de 50 mm geven vertekening. Als je met een half size of aps-c-sensor werkt, is dat onder de 35 mm. De verlengingsfactor is immers 1,5x. Daarboven heb je veel minder last van vertekening. Tot je in de extremere telebrandpunten terechtkomt van pakweg boven de 200 mm. Dan wordt de zijkant van het gezicht vertekend; vooral de oren gaan er raar uitzien.

Bottomline: gebruik een licht teleobjectief voor een zo natuurlijk mogelijke weergave van je model. Veel portretfotografen werken met 50, 85 of 105 mm objectieven. Bijkomend voordeel van deze objectieven is dat je niet te dicht op je model staat (zoals met een 24 mm) en niet te veraf (met een 500 mm). Je komt zo niet in het persoonlijke aura van je model en hoef je ook niet te schreeuwen om aanwijzingen te geven.

Op internet circuleert een leuk filmpje dat de verschillen tussen brandpunten goed laat zien. Ga naar de site 9gag en tik in ‘how-different-camera-lenses-affect-portraits’.

Diafragma

Een belangrijk aspect van elk objectief is de grootste lensopening. Bij een kitlens (het bij de camera geleverde zoomobjectief) zal dit op 70 mm rond de F 4 of zelfs F 5,6 zijn. Een lens met een vast brandpunt heeft soms wel F 1,4 of F 1,2 als grootste opening. Dit scheelt licht en je hebt met F 1,4 veel minder scherptediepte dan met 5,6. Minder scherptediepte betekent – daar komt-ie weer – dat je het oog van de kijker meer kunt sturen. Wij mensen kijken op een foto namelijk eerst naar het scherpe deel. Als dat de ogen zijn, en de oren zijn onscherp, hebben we het doel bereikt. Portretten maken we dus vaak met een open diafragma. Meer scherptediepte gebruiken we alleen als de achtergrond meedoet in de foto. Als daar het huis of de auto van je model staat, is het raar als die onherkenbaar wordt door je open diafragma. Draai in dat geval je lensopening dicht. Blijf kritisch kijken op welk punt iets herkenbaar wordt. Dat is vaak al voor het helemaal scherp is. Ga dus niet van F 4 direct door naar F 22, probeer eerst of F 8 of F 11 ook een bruikbaar resultaat oplevert. Zo speel je met de balans tussen scherpte en herkenbaarheid.

Licht

Als eenmaal alles in de camera goed staat, gaan we naar de andere omstandigheden kijken. Waar staan we? En meer specifiek, waar komt het licht vandaan? Soms hebben we te dealen met fel zonlicht. Vooral een zon die rechtstreeks op je model schijnt, geeft grote kans op problemen. Allereerst voelt een model zich niet prettig met die prikkende zon en gaat knijpen met de ogen. Daarnaast krijg je knetterharde schaduwen op het gezicht. Maar je kunt de situatie 180 graden omdraaien, letterlijk. Ga aan de andere kant van het model staan en het gezicht zal er egaal verlicht uitzien. Van achter zorgt een haarlicht van de zon voor een mooi effect. Wel zal het contrastverschil tussen zonlicht en gezicht groot zijn. Het gezicht kan daardoor op de foto zwart lijken of het haarlicht overbelicht. Hef dit verschil op door een invulscherm van voren te gebruiken. Tegenwoordig heb je heel handige varianten met handvatten, die je zelf (of je model) makkelijk kunt vasthouden. Je zult verrast zijn door de verbetering in lichtkwaliteit.

In de meeste gevallen is het trouwens mooier om de zon helemaal te mijden. Schaduwrijk licht is veel zachter en leidt daardoor minder af van waar het echt om gaat, de blik in de ogen van je model. Als je het natuurlijk licht nog effectiever wilt gebruiken, ga dan onder een overkapping staan, bijvoorbeeld een fietsenhok. Het licht komt dan niet meer van alle kanten en daardoor ontstaat een plastische verlichting, met veel licht en schaduwwerking in het gezicht.

Flitslicht

In de studio kun je het licht nog meer naar je hand zetten. Je gebruikt hiervoor flitsers met ‘lightshapers’. Dit zijn accessoires die de kwaliteit van het licht veranderen en meestal verbeteren. Flitskoppen zijn nogal klein en geven daardoor hard licht. Als je er een softbox of paraplu voor plaatst, verbetert de lichtkwaliteit aanzienlijk. Voordeel van werken in een studio is het gebrek aan verkeerd vallend licht, nadeel is dat er geen enkele natuurlijke omgeving of achtergrond aanwezig is. Je zult dus een set moeten bouwen of je beperken tot een close portret.

Picture styles

De laatste technische keuze die je voor de shoot maakt is de ‘picture style’. Deze presets in de camera veranderen het karakter van een foto. Dit geldt vooral als je in jpg schiet. Bij raw-foto’s kun je de stijl achteraf kiezen. Via de picture styles bepaal je scherpte, contrast, verzadiging en kleurtoon.

In de stand Neutraal staat alles op 0. Met Portret is de scherpte iets minder, de verzadiging iets hoger en de kleurtoon een tikje naar de magenta kant. Hierdoor lijkt de huid wat rozer dan normaal. Uiteraard is dit smaakgevoelig en bepaal je zelf welke style het best bij je foto’s past. Je zou ook kunnen uitkomen op Landschap voor portretten. Over het algemeen geldt wel dat picture styles onnauwkeurige presets zijn. Als je in raw schiet, heb je achteraf – in alle rust – de keuze om de goede style eruit te kiezen.


Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

Dit waren de mooiste foto’s van mei 2022

Fotografie Dilemma: camera apparatuur huren, ja of nee?