in

Ruis: waar komt het vandaan en wat doe je ermee?

Het is de schrik van menig fotograaf. Met gepaste trots zoom je in op je foto’s op je desktopscherm en opeens zie je het: ruis. Waar je eerst nog zo trots was op je fantastische resultaten, gooit die ruis nu roet in het eten, met name in schaduwpartijen. Maar wat is nou eigenlijk ruis en waar komt het vandaan? En waarom is op de ene foto meer ruis te zien dan op de andere?

Ruis is een eigenaardig fenomeen en een onderwerp dat telkens terugkomt in gesprekken tussen fotografen. Ruis heeft een erg negatief imago opgebouwd. En toch … er is mee te leven. Sterker nog: ruis is te bestrijden, zowel tijdens het fotograferen als in de nabewerking. Lees verder en ontdek dat ruis niet direct een probleem hoeft te zijn, en soms zelfs mooi kan zijn ook!

Iedereen ontdekt vroeg of laat ruis in zijn of haar foto’s, met name in foto’s met hoge iso-waarden of foto’s waarbij in de nabewerking flink aan de schuiven is getrokken. Ruis is van alle tijden. En al sinds ruis bestaat, proberen we die te onderdrukken. De camerafabrikanten hebben daar zelfs handige functies voor in hun modellen ingebouwd. Hierdoor heb je er als fotograaf minder omkijken naar. Ook de voortdurende ontwikkeling van nieuwe en betere sensoren heeft de ruisprestaties de afgelopen jaren een enorme boost gegeven. Ruis wordt steeds beter beheersbaar. Maar ook jij als fotograaf hebt een belangrijke rol bij de onderdrukking van die hinderlijke ruis. Een juiste belichting bijvoorbeeld is essentieel. En ook in je nabewerking kun je nog heel wat doen om ruis tot een minimum te beperken. 

Foto: Klaa583

Het ontstaan van ruis

Digitale camera’s beschikken zoals je weet over een beeldsensor die het licht vangt, zodat er uiteindelijk een beeld kan ontstaan. En dát licht speelt een sleutelrol. De ene keer is er veel licht en de andere keer weinig. En als fotograaf beïnvloed je zelf die hoeveelheid ook nog eens sterk door voortdurend te spelen met sluitertijden en diafragma-instellingen. Een korte sluitertijd bijvoorbeeld laat minder licht op de sensor vallen dan een langere. En om niet constant te donkere foto’s te krijgen doordat er te weinig licht is, heb je de mogelijkheid om je iso-waarde aan te passen, handmatig of automatisch. Dat is een fantastische uitkomst, want in moeilijke lichtomstandigheden kun je zo nog steeds prima foto’s maken.

In feite pas je met deze instelling de lichtgevoeligheid van je sensor aan. Is er te weinig licht? Dan gaat de sensorgevoeligheid een stuk omhoog. Zie het maar als een vorm van versterking. Bij de laagste iso-waarde is er geen versterking van de lichtgevoeligheid en bij de hoogste iso-waarde is die versterking substantieel. En wellicht valt het je bij het luisteren naar de radio ook weleens op: bij een laag volume hoor je geen ruis, en bij een hoog volume wel. Om in fotografietermen te blijven: bij een lage iso-waarde zie je de ruis niet. Bij een hogere waarde wel. Hoe hoger de iso-waarde, hoe meer ruis.

Maar niet alleen een hogere iso-waarde veroorzaakt die hinderlijke ruis. Ook de temperatuur van je sensor is van invloed. Naarmate de sensor warmer wordt, zal de ruis zichtbaarder zijn. En dat opwarmen gebeurt met name bij opnames met erg lange sluitertijden. Opnames met sluitertijden langer dan 4 seconden zullen al de eerste ruis laten zien.

Een kwestie van formaat

Toch zijn er grote verschillen in ruisprestaties tussen verschillende camera’s. Dat heeft twee redenen. De eerste is dat iedere fabrikant de ruis probeert te onderdrukken met zijn beeldprocessor. En die onderdrukking probeert men redelijk gebalanceerd te houden. Het kunstmatig onderdrukken van ruis gaat namelijk enigszins ten koste van de scherpte. Fabrikanten trachten uiteraard de juiste balans te vinden tussen scherpte en ruisonderdrukking, met name bij hoge iso-waarden.

De tweede en voornaamste reden van het onderscheid tussen verschillende camera’s is de grootte van de sensor gerelateerd aan het aantal pixels dat die sensor bevat. Alles draait om licht. Hoe meer licht, hoe beter dat is voor de ruisprestaties. Een aps-c-sensor is een stuk kleiner dan een fullframe-sensor. Mochten beide sensoren in deze vergelijking over bijvoorbeeld 24 megapixels beschikken, dan zal de fullframe-sensor beter presteren. Simpelweg omdat deze een grotere oppervlakte heeft dan zijn kleinere aps-c-broertje en dus meer ruimte per pixel biedt om licht te kunnen vangen. Dit is ook de reden waarom fullframe-camera’s over het algemeen betere ruisprestaties neerzetten dan aps-c-modellen of Micro Four Thirds-camera’s.

Foto: Alanddewit

Voorkomen beter dan genezen

Hoewel je camera beschikt over technische hoogstandjes om ruis te beperken, blijven dit toch een soort van lapmiddelen. En voor een camera mag dit dan wel steeds meer appeltje-eitje worden; ruis verwijderen blijft een vorm van beeldinformatie verwijderen. Dat we ruis met camera-instellingen kunnen repareren, is natuurlijk fantastisch. Maar voorkomen is altijd beter dan genezen. En als fotograaf heb je hiervoor talloze mogelijkheden. We kunnen zelf het nodige doen om de iso-waarde zo laag mogelijk te houden en zodoende de ruis tot een minimum te beperken.

• De juiste belichting … of een beetje meer

Het klinkt als vanzelfsprekend: een foto moet juist belicht zijn. Maar met name als we ruis willen beperken, is de belichting van essentieel belang. Ruis ontstaat vooral in schaduwpartijen en is daar ook het meest zichtbaar. Blijkt de gemaakte foto achteraf ietwat aan de donkere kant, dan hebben we weleens de neiging deze in de nabewerking ‘op te trekken’. En met name het oplichten van de schaduwen leidt ertoe dat de ruis zelfs nog erger wordt. Het is dus beter om je belichting in één keer goed te hebben, zodat een belichtingscorrectie achteraf niet nodig is. Je kunt zelfs beter een iets te hoge iso-waarde hebben in combinatie met een juiste belichting dan een foto met een lagere iso-waarde die in de nabewerking opgetrokken wordt.

Een andere techniek die veel fotografen omarmen, is het ‘op rechts belichten’: ‘expose to the right’ of afgekort ETTR. Hiermee ga je een klein stapje de overbelichting in als dat enigszins kan. Ook weer niet te veel, want uitgebeten delen zijn nooit meer te repareren. Maar één à anderhalve stop overbelichten is vaak prima. Het gevolg hiervan is dat schaduwen goed belicht zijn en niet verder gecorrigeerd hoeven te worden, dus onnodige ruis blijft uit. Door de foto in de nabewerking weer wat donkerder te maken, haal je zelfs nog ruis weg, waarbij de details in hun volle glorie overblijven. Een lichte foto donkerder maken verwijdert dus ruis. Andersom veroorzaakt een donkere foto lichter maken juist ruis.

• De juiste lens

Objectieven zijn er in allerlei soorten en maten. En lichtsterktes! Ben jij een fotograaf die voornamelijk bij moeilijk licht fotografeert? Dan doe je er goed aan een lichtsterk objectief te kiezen, zodat je je iso-waarde zo laag mogelijk kunt houden. Niet voor niets werken sportfotografen en concertfotografen het liefst met objectieven met lichtsterkte F 2,8 of nog lichtsterker. Omdat ze vaak met korte sluitertijden werken om hun onderwerpen te kunnen ‘bevriezen’, moet hun iso-waarde vaak al snel omhoog. Door een lichtsterk objectief te gebruiken, blijft de iso-waarde toch binnen de perken.

Wat het scheelt? Stel je hebt een objectief met als grootste diafragma f 5,6, en in een bepaalde situatie moet in combinatie met de door jou gewenste sluitertijd de iso-waarde naar 3200. Als je een objectief hebt met F 2,8 als grootste diafragma, dan scheelt dat twee stops. Nu kun je opeens dezelfde foto met dezelfde sluitertijd maken met iso 800. Dat scheelt enorm!

• Hou ‘m stil

Met name ’s avonds als het schemert moet je iso-waarde flink omhoog. Inschakeling van de beeldstabilisatie is dan een absolute must. Door beeldstabilisatie compenseert je camera ongewenste camerabewegingen, en daardoor kun je langer uit de hand blijven fotograferen. Beeldstabilisatie voorkomt dus zogenaamde trillingsonscherpte, waardoor je sluitertijd niet onnodig korter hoeft. En als er langer licht binnenkomt, hoeft je iso-waarde niet omhoog.

Wordt het echt donker, dan valt niet meer uit de hand te fotograferen en ontkom je niet aan een statief. Vergeet bij statiefgebruik niet om je beeldstabilisatie juist uit te zetten, anders kun je onscherpe beelden krijgen. Gebruik eventueel ook een draadontspanner of afstandsbediening, of eventueel de ingebouwde zelfontspanner. Bij gebruik van een statief staat je camera volledig stil. Mocht je onderwerp het toelaten, dan kan de sluitertijd langer en de iso-waarde helemaal omlaag. Weg ruis!

• Auto ISO

Auto ISO: nog zo’n handigheidje in iedere camera om het fotograferen een stukje makkelijker te maken. Met de automatische iso-instelling ingeschakeld zorgt je camera ervoor dat als er te weinig licht is, je iso-waarde automatisch een paar stapjes omhooggaat om dit te compenseren. Vooral bij sterk en snel wisselende lichtomstandigheden biedt deze techniek uitkomst. Maar kijk uit! Bij de meer geavanceerde spiegelreflex- en systeemcamera’s kun je ook nog instellen bij welke sluitertijd de iso-waarde automatisch omhoog kan. Een korte sluitertijd laat minder licht door, dus dan moet de iso-waarde eerder omhoog dan bij een lange sluitertijd. Stel je sluitertijd in de Auto ISO-functie dus zo in dat je enerzijds je beelden nog voldoende ‘bevriest’ en scherp houdt zonder dat anderzijds de iso-waarde te snel en onnodig omhoogschiet.

Foto: BNN

Nabewerking

Is het kwaad toch al geschied, ondanks dat je alles hebt geprobeerd om ruis te voorkomen? Dan is nabewerken nog steeds een prima optie om de resterende ruis weg te werken. Was je sowieso al van plan om na te bewerken? Fotografeer dan in raw in plaats van in jpeg en schakel functies als ruisonderdrukking et cetera gewoon uit. Dat ruis onderdrukken doe je immers toch zelf in je favoriete bewerkingsprogramma. Ieder gerenommeerd programma, zoals Lightroom of Photoshop, beschikt over mogelijkheden om ruis te verminderen. Meestal is het een kwestie van trekken aan de schuifjes, waarmee je verschillende parameters kunt gebruiken om de ruis te reduceren. Maar let op en overdrijf niet! Mocht je je ruis te rigoureus wegwerken door zonder dosering aan de schuiven te trekken, dan kan je foto wat plasticachtig worden. Portretten veranderen in wassen beelden en missen al snel scherpte en detail. Wil je gedegen te werk gaan zodat je de juiste keuzes maakt? Zoom dan eerst in naar ware grootte (100%). Zo zie je veel beter wat er daadwerkelijk gebeurt.

In de nabewerkingsprogramma’s kun je meestal twee soorten ruis onder handen nemen: luminantieruis en kleurruis. Luminantieruis is de ruis die lichtere en donkerdere stipjes in je foto’s geeft. Kleurruis geeft gekleurde stipjes die afwijken van hun omgeving. Kijk ook uit met wat je verder nog doet met je foto als je die bewerkt. Het onnodig optrekken van je schaduwen veroorzaakt nieuwe ruis. Te veel verscherping vaak ook.

Foto: Paige-Addams

Lang leve ruis!

Hoewel de meeste fotografen een hekel hebben aan ruis, zijn er vormen van fotografie waarbij ruis juist dat extra beetje punch aan een foto meegeeft. Zo is bij macrofotografie ruis over het algemeen ‘not done’. Maar hoe mooi kan daarentegen een concertfoto van solerende gitarist in de spotlights zijn, waarbij juist die korrel over de foto ligt …? Of bij een indringend zwart-witportret van een oude schrijver? Die ruis heeft dan wat weg van de ouderwetse filmkorrel die we kennen uit het analoge tijdperk. Ruis roept een vorm van nostalgie op bij sommigen. Er zijn zelfs fotografen die bewust in hun nabewerking ruis toevoegen aan hun aanvankelijk schone foto. Op die manier krijgt ruis een artistieke functie. Lang leve ruis! 


De vier seizoenen in het bos: goede voorbereiding voor het hele jaar

Vogels fotograferen aan het water: op deze instellingen moet je letten