in

Tover je tuin om tot fotoparadijs: hoe je dieren naar je tuin lokt en fotografeert

Je hoeft niet ergens heen om mooie natuurfoto’s te maken. Natuurfotografie begint in je eigen achtertuin! Maar niet elke achtertuin is even geschikt. Bioloog en natuurfotograaf Edo van Uchelen legt uit hoe je dieren naar je tuin lokt én wat je kunt doen om ze gemakkelijker te fotograferen.

Balkon, stadstuin, natuurtuin of eigen natuurgebied, het maakt eigenlijk niet zoveel uit: als je de juiste voorwaarden schept kunnen allerlei dieren er zich vestigen. Vogels, vlinders, bijen en bloemen, je kunt ze in je eigen tuin van dichtbij bekijken én fotograferen.

Als je denkt dat je met een natuurtuin de boel gewoon op z’n beloop kunt laten, heb je het mis. Dat levert weliswaar een spontane wildernis op, maar de soortenrijkdom zal niet zo hoog zijn en je eindigt in Nederland vanzelf met veel gras en schaduw van ruigte en struiken. Net als in elke tuin vraagt een soortenrijke natuurtuin om inrichting en onderhoud. De aanpak is wel anders. Minder ingrijpen en meer met rust laten horen daarbij. De schoffel kan bij natuurlijk tuinieren wegblijven. Een handschepje of mesje werkt beter.

Om te beginnen: probeer aan te sluiten bij de mogelijkheden die je tuin zelf heeft. Dat vormt altijd de basis van natuurlijk tuinieren. Ligging, grondsoort, vochtgehalte en grootte van je tuin bepalen de mogelijkheden. De termen zon, halfschaduw of schaduw zijn gangbaar om de juiste plaats voor een plant aan te geven. Bloeiende planten, die veel insecten trekken, hebben een warme zonnige plek in je tuin nodig. Algemeen geldt: een zonnige tuin, bij voorkeur op het zuiden, is een goede uitgangspositie voor een rijke natuurtuin met veel soorten. Een tuin met veel schaduw is minder gunstig.

Zeven tips voor een echte natuurtuin

1. Zo min mogelijk gazon, paden en terrassen

Hoe minder grasveld en verharding, des te meer dieren je aantrekt. Dieren hebben voedsel, dekking en beschutting nodig. Dat vinden ze niet in tuinen die grotendeels zijn verhard of voorzien van een kortgeschoren grasveldje. 

Foto: MarianneJonkman

2. Plant begroeiing die dieren aantrekt

Kies de juiste nectar- en waardplanten voor insecten en vlinders. Een vlinderstruik is prachtig, maar in een vochtig hoekje zijn ook brandnetels nodig als voedsel voor de rupsen. Plant inheemse struiken die bloeien (meidoorn, sleedoorn) en bessen (lijsterbes, Gelderse roos, hondsroos) of noten (hazelaar) dragen, als voedsel voor insecten en vogels. Snoei struiken regelmatig, daarmee stimuleer je de bloei en zorg je voor een ondoordringbare struik, waar vogels graag in broeden. Plant struiken op plekken waar ze de wind breken en voor beschutting zorgen. Plant klimop tegen de muur van je huis, tegen een schutting of een boom. Klimop is erg in trek bij vogels en andere dieren. 

3. Niet te netjes

Liever een (wilde) haag dan een geschoren heg. Liever een ruige bloemenweide dan een kort gazon (dat ook veel onderhoud vergt!). Maak (in de schaduw van bomen of struiken) een composthoop van dood (tuin)materiaal, gemaaid gras en keukenafval. Laat de composthoop zoveel mogelijk ongemoeid. Breng snoeiafval en takken niet weg maar laat het achter op hopen of richels, het is een belangrijke schuilplaats voor egels, kikkers en kleine zoogdieren.

4. Bied dekking- en schuilgelegenheid

Zet stapels dakpannen neer en graaf die gedeeltelijk in, het zijn goede rust- en schuilplaatsen voor op de grond levende dieren. Leg stapels dikke stronken of stammen dood hout neer in je tuin, in de schaduw en in de zon. Erin en ertussen leven veel kleine dieren. Maak steen of puinstapels op plekken waar dat kan (bijvoorbeeld van oude metselstenen). Het beste graaf je eerst een kuil, zodat dieren tussen de stenen in de bodem kunnen overwinteren. 

Foto: Fjanina

5. Zorg voor water in je tuin

Water trekt veel dieren aan! Kikkers zitten op de oever in de zon, vogels komen drinken en badderen en libellen scheren boven het water. Leg een natuurlijke vijver in je tuin aan. Bloeiende waterplanten als gele lis, waterlelie en kattenstaart maken een vijver in je tuin extra aantrekkelijk. Bestaande en nieuwe vijvers kun je gemakkelijk natuurvriendelijk maken, als je mijn tips opvolgt (zie kader). 

Een natuurlijke vijver

  • Ligging zoveel mogelijk in de zon, niet in de buurt van bomen (afgevallen bladeren bemesten het water te veel).
  • Zorg voor een geleidelijke oever, waarbij het water langzaam (via moerasplanten) overgaat in land.
  • Hoe groter hoe beter, dan bereik je eerder een evenwicht met helder water.
  • Maak de vijver niet te diep, 60 cm is meer dan voldoende.
  • Geen pomp, fontein of waterval. Dat is erg onnatuurlijk en slecht voor je vijver.
  • Zet geen vissen uit in je vijver, ze eten bijna alle kikkervisjes, salamander- en libellenlarven op.
  • Haal inheemse waterplanten gewoon zelf uit een gezonde, schone sloot. Waterplanten van een tuincentrum zijn in kassen gekweekt, veel te duur en gaan vaak meteen dood in je vijver. Vaak zijn het ook exotische soorten, die je niet in je vijver wilt hebben.
  • Ondergedoken waterplanten (waterpest, hoornblad, fonteinkruid, vederkruid) maken je vijver helder. Haal ze met een hark uit een schone sloot bij jou in de buurt, controleer goed of er geen visseneitjes aanzitten.
  • Elk jaar een beetje vijverkalk (Maerl) toevoegen, volgens de aanwijzingen op de verpakking.
  • Nooit bemesten of chemische middeltjes aan het water toevoegen. 

Foto: Ghocjen

6. Schep een warm microklimaat

Zorg voor enkele warme, kale plekjes in je tuin (open zand, stenen of stammen in de zon). Insecten warmen hier graag op en graafbijen maken er nestjes. Bouw een stapel- of keermuur op een warme plek in je tuin. Plant struiken om de heersende zuidwestenwind tegen te houden.

7. Gebruik nooit bestrijdingsmiddelen, slakkenkorrels of mest

Dit spreekt natuurlijk voor zich. Als je een natuurlijke tuin wilt met zo veel mogelijk dieren, dan laat je dit achterwege. 

En zo fotografeer je ze

Welke soorten kun je verwachten?

Behalve de inrichting bepalen de plek waar je woont en de ligging van je tuin welke soorten je kunt verwachten. Op kleigrond leven andere soorten dan op zandgrond. Als je in de buurt van een bos of natuurgebied woont maak je meer kans op dieren dan wanneer je middenin de stad woont. Vogels en insecten (libellen, vlinders, sprinkhanen, spinnen en bijen) zijn mobiel en kunnen je tuin gemakkelijk bereiken, ze komen ook in steden voor. Zoogdieren (egels) en amfibieën (gewone pad, groene kikker, bruine kikker en kleine watersalamander) kunnen in je tuin komen als ze in de buurt voorkomen. Ze leven ook in groenstroken en parken in de bebouwde kom.

Je zult merken dat je behoefte krijgt aan meer kennis over tuindieren. Een kleine verrekijker en enkele veldgidsjes zijn handig. Het is leuk om na te slaan welke dieren en planten zich in je tuin hebben gevestigd of af en toe eens langskomen. Misschien denk je nu ‘ach ik hoef niet te weten hoe al die dieren heten, ik geniet zo ook wel’. Maar toch: als je hun namen leert kennen, worden soorten vanzelf interessanter. Bovendien kun je dan nog beter inspelen op hun eisen. Om meer te leren van planten en dieren kun je je aansluiten bij het IVN (www.ivn.nl) of de KNNV (www.knnv.nl). Daar tref je mensen die ook van natuurtuinen houden van wie je veel kunt opsteken.

Fotoplekken

Als je slim te werk gaat, kun je in je tuin speciale fotoplekken maken. Om te beginnen moet je bij alle plekken waar vaak dieren komen (bloeiende planten, vijver, voer- en badderplek voor vogels) de gelegenheid hebben om foto’s te maken. Je moet er dus goed bij kunnen komen. Dat doe je door verschillende zitplekken te maken die je stevig verhardt met tegels. De plek moet groot genoeg zijn om een stoel met je statief te plaatsen, zonder dat je dieren verstoort. Natuurlijk houd je rekening met het licht. Fotograferen doe je meestal ’s morgens en vanaf het einde van de middag, dus dan moet je bij voorkeur niet tegen de zon inkijken.

Bij de vijver (noodzakelijk in elke natuurtuin!) kun je, aan de zuidzijde, een houten steiger maken die net boven het water uitsteekt. Maak deze minstens twee meter lang, zodat je bij het water kunt liggen (laag fotograferen). Ideaal is een zitkuil naast de vijver, van ongeveer een meter diep. Zorg er dan voor dat het water in de vijver tot aan de rand van de zitkuil staat, zodat je er vlak boven kunt fotograferen, dat geeft het mooiste resultaat. Ik heb zelf een betonnen vijver gemaakt, die ik heb voorzien van een glazen ruit die aansluit op de zitkuil. De ruit staat in een metalen sponning, ingebed in siliconenkit. Vanuit de zitkuil kan ik onder water salamanders fotograferen! 

Foto: HansBargerbos

Libellen worden aangetrokken door water. Ze hebben graag een vrije vliegroute naar hun zitplaats. Je kunt ze lokken door vanuit de oeverbegroeiing stokjes te laten uitsteken. Sommige soorten zitten ook graag op een takje dat net boven het water uitsteekt. In het voorjaar zoeken bruine kikkers de warmste en ondiepste delen van je vijver op om zich voort te planten. Ze drijven op het water en roepen zachtjes. Zorg ervoor dat deze plekken zich in de buurt van je houten steiger of zitkuil bevinden, zodat je ze laag boven het water kunt fotograferen. 

Vogels

Huismus, koolmees, pimpelmees, roodborstje, merel, heggenmus, kauw, groenling, vink, Turkse tortel en houtduif. In de gemiddelde Nederlandse tuin komen al gauw meer dan tien soorten vogels voor. Vogels lok je naar je tuin door ze te voeren. Gebruik kwalitatief goed voer, met gedroogde meelwormen en veel zonnebloempitten. Dat is niet alleen beter voor de vogels, het trekt ook meer soorten aan. De plek waar je voert is het belangrijkste. De voerplek moet ongeveer een meter van de grond af liggen, zodat er geen muizen, ratten en katten bij kunnen komen. Die hoogte is ook nodig om zittend met statief te kunnen fotograferen. Kies voor een beschutte plek, zoveel mogelijk uit de wind.

En dan nu het belangrijkst: de afstand van de voerplek tot de plek waar jij zit om de vogels te fotograferen. Deze moet je heel zorgvuldig bepalen (afhankelijk van de brandpuntsafstand van je telelens en de cropfactor van je camera). Je zit algauw te ver weg. De vogels fotografeer je dan veel te klein. Bij een brandpunt van 400 mm (zonder cropfactor) is een afstand van ongeveer vier meter ideaal. Dat is heel dichtbij! Vogels zijn schuw en laten zich van zo dichtbij alleen fotograferen als je je goed verstopt. Daar zijn een aantal mogelijkheden voor. Het gemakkelijkst (en comfortabelst) is gewoon achter glas in een hoekje van je woonkamer of keuken. Door de natuurlijke spiegeling van het glas ben je vaak minder goed te zien. Bovendien wennen de vogels aan beweging in het huis. Evengoed scheelt het als je je goed verstopt. Je kunt bijvoorbeeld door een opening in camouflagedoek fotograferen dat je tegen het raam bevestigt. Een andere methode om je te verstoppen, is een tuinschuurtje. Daarin kun je een (extra) opening maken om doorheen te fotograferen. Zorg ervoor dat je lens maar net door het gat past (houd rekening met draaien) en maak hierboven een heel klein en smal kijkvenstertje, dat je afdekt met donker muggengaas. Een derde optie is een (mobiel) schuiltentje in je tuin. Dat geeft je de meeste flexibiliteit, maar het is minder comfortabel. 

Foto: Gertj123

Ervaren vogelfotografen besteden veel tijd aan de omgeving en de achtergrond. Een voertafel op je gazon geeft zelden mooie foto’s. Het is belangrijk om de voertafel aan te kleden met houten stronken, mos of fraaie takken. Dat geeft een natuurlijk beeld. Denk ook aan de achtergrond: een schutting of de muur van een schuurtje leveren geen mooie achtergronden op. Beter zijn struiken of een groene haag. Nog beter is het als je zelf aan de slag gaat met (camouflage)doek waarin je takken steekt. Voor de aankleding van de voertafel en het opbouwen van je achtergrond is het devies: van tevoren uittesten en foto’s maken.

In de winter (sneeuw) bereik je vaak de beste resultaten. Vogels komen dan eerder op het voer af. Bovendien komen er meer soorten dan in voorjaar, herfst of zomer. Probeer (direct) zonlicht te vermijden als je fotografeert, dat is te hard en geeft snel overbelichting op de vleugels. In de zomer kun je je voertafel door een baddertafel vervangen: plaats een ondiepe stenen schotel op een meter van de grond en je zult zien hoe snel vogels deze plek weten te vinden om te drinken en te badderen.

Werkwijze en uitrusting

Om dieren in je tuin te fotograferen, heb je geen bijzondere uitrusting nodig. Voor macro- en dichtbijfotografie is een macrolens en/of tussenringen handig. Kies voor betrekkelijk korte sluitertijden (minstens 1/250), omdat jij zelf en de dieren veel bewegen. Voor vogels heb je een bereik van minstens 400 mm nodig en je fotografeert vanaf statief (sluitertijd minimaal 1/300).

Een hoekzoeker kan handig zijn als het je niet lukt om liggend vanaf de grond te fotograferen. Ook een rijstzak (als alternatief voor een laag statief) kan een nuttig hulpmiddel zijn. Ten slotte: belangrijk is dat je je (loslopende) huisdieren binnenhoudt. Honden en katten zijn echte dierenverjagers. In je tuin kun je gemakkelijker je spullen achterlaten, omdat de kans op diefstal klein is. Dat biedt (nieuwe) mogelijkheden voor natuurfotografie. Denk aan afstandsbediening – te bedienen vanuit je woonkamer – of high speed infraroodtechnologie, waarbij dieren zichzelf fotograferen vanuit een vaste opstelling. 

Foto: robbertdesmet


Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

De mooiste fotolocaties om bloemen fotograferen in Nederland en België

Uit het magazine: architectuurfoto’s met een verhaal