in

Uit het magazine: architectuurfoto’s met een verhaal

In Zoom 4 publiceerden we het artikel ‘Architectuurfoto’s met een verhaal’. Een stuk van het artikel is blijven steken in de printer en is dus nooit in het magazine terecht gekomen. Daarom plaatsen we nu het gehele artikel hier online. Architectuur is al sinds de uitvinding van de fotografie een belangrijk onderwerp voor fotografen. Architectuur is overal om ons heen, en sommige architectuur is heel bijzonder om naar te kijken. Een gebouw op de foto zetten is niet zo moeilijk: je onderwerp staat immers stil. Maar een goede architectuurfoto maken is een heel ander verhaal. Daar heb je kennis van je onderwerp voor nodig plus de nodige techniek. We vertellen je waar je op moet letten en wat je nodig hebt om betere architectuurfoto’s te maken.

Tekst: JAN PAUL MIOULET

Jan Paul Mioulet is architectuurfotograaf en auteur van het boek ‘Architectuurfotografie’, dat bij Van Duuren Media is verschenen. (www.mioulet.nl)

Openingsfoto: Truus09 – ISO 200 · ƒ/8 · 28s · 10.5mm

We hebben allemaal met architectuur te maken. Van de huizen en appartementen waar we in wonen tot de kantoren en fabrieken waar we in werken, en van de theaters en stadions tot de musea waar we ons in ontspannen, vrijwel ieder aspect van het menselijk leven is op een of andere wijze verbonden met architectuur. Geen wonder dat we die gebouwen, constructies en kunstwerken graag willen vastleggen.

Architectuur is ook een onderwerp waar je als fotograaf veel kanten mee op kunt, van het vastleggen van stadsgezichten en skylines tot abstracte details of bijzonder lijnenspel. Voor de liefhebbers komen er steeds nieuwe, bijzondere projecten bij. Rotterdam heeft afgelopen jaar zowel zijn kunstdepot als het hoogste gebouw van Nederland gekregen met de Zalmhaventoren. In Amsterdam zijn er veel aansprekende projecten langs de Zuidas bij gekomen. Ook wordt enorm ontwikkeld op de Noordoever, bij de Houthavens en op Oostenburg. In Eindhoven is Strijp-S nog steeds in ontwikkeling, met onder andere de bouw van Haasje Over, een prijswinnende nieuwe woontoren met een luchtbrug naar de daktuin van een naastgelegen gebouw. Zo gebeurt overal wel iets en ontstaan naast nieuwe prestigieuze kantoorkolossen ook kleine architectonische pareltjes.

Wie goed om zich heen kijkt, vindt overal wel mooie bouwwerken om te fotograferen

Let ook eens op echt nieuwe ontwikkelingen. Zoals de sierlijke, ge-3D-printe metalen brug over de Oudezijds Achterburgwal in Amsterdam of de ge-3D-printe woningen van beton in Eindhoven. Verder zullen we de komende jaren ook steeds meer hoogbouw van hout gaan zien. Amsterdam had de primeur met HAUT, een houten woontoren van Team V Architectuur, en in Rotterdam gaat de bouw van start van SAWA van MEI-architecten.

Bij dat laatste project zie je nóg een nieuwe trend, en dat is om de omgeving letterlijk te vergroenen. De gevel wordt namelijk min of meer een verticale tuin. Dat ziet er niet alleen leefbaar en natuurlijk uit, maar vangt ook fijnstof uit de lucht en voorkomt tegelijk dat regenwater direct het riool in stroomt. Zo vormt de gevel een buffer en wateropslag, wat helpt om steden voor te bereiden op klimatologische veranderingen en extremer weer. Wie de architectuur een beetje volgt en goed om zich heen kijkt, vindt overal wel iets moois om te fotograferen. Hoe doe je dat en wat heb je daarvoor nodig?

architectuurfoto's

Foto: WillyCrooymans – ISO 100 · ƒ/11 · 4/5s · 16mm

architectuurfoto's

Foto: AllNaturePhotography – ISO 100 · ƒ/1.4 · 1/200s · 24mm

De meeste gebouwen staan recht

Het kan je niet ontgaan als je naar een gebouw kijkt: de meeste gebouwen staan geheel of gedeeltelijk recht en waterpas. En als dat niet zo is, dan is dat een hele bewuste keuze, afwijkingen en ongelukjes als de scheve Toren van Pisa even daargelaten. Dat is ook waarom architectuurfotografen zoveel moeite doen om gebouwen ook zoveel mogelijk rechtop in beeld te brengen. Ten eerste omdat die manier van fotograferen recht doet aan het gebouw, en ten tweede omdat je dan ook het verschil kunt zien met gebouwen die van die norm afwijken.

Met analoge apparatuur was het recht en waterpas vastleggen van gebouwen niet zo eenvoudig. Eigenlijk ging dat niet zonder een (grootformaat) technische camera. Die had je nodig om bij hogere gebouwen te voorkomen dat je de camera moest kantelen, waardoor verticale lijnen schuin naar elkaar toe gaan lopen (‘vallende lijnen’). Met een technische camera kun je de achterwand, waar de film in zit, keurig waterpas en parallel aan de gevel zetten. Schuif je dan het voorpaneel omhoog (of het achterpaneel omlaag), dan kijk je uiteindelijk met de camera toch omhoog, zonder dat je de camera hoeft te kantelen. Daardoor komen alle verticale lijnen in je onderwerp keurig verticaal op de foto.

Digitaal zijn er meerdere manieren om dit te bereiken. Het mooiste is een digitale middenformaatachterwand op een speciaal voor dat formaat ontworpen technische camera met bijbehorende objectieven. Maar dan praat je over een bedrag waarvoor je ook een hele mooie auto kunt kopen. Dat laten we dus verder buiten beschouwing. Tegenwoordig kun je architectuur prima fotograferen met een digitale camera met een fullframe- of middenformaatsensor. De reden is dat Canon en Nikon en een aantal onafhankelijke objectievenfabrikanten zoals Samyang en Laowa daar shift- en tilt-shift-objectieven voor maken. Sony heeft ze nog niet, maar objectieven van andere merken passen met adapters op Sony-camera’s. Fujifilm heeft voor zijn middenformaatcamera’s inmiddels ook een tilt-shift-objectief aangekondigd. Die tilt-shift-objectieven passen natuurlijk ook op aps-c-camera’s. Door de kleinere sensor wordt de effectieve beeldhoek echter een stuk kleiner. Een 24mm-tilt-shift-objectief werkt op een aps-c-camera namelijk als een 35mm-objectief. Je hebt dan dus minder groothoek, en dat is voor architectuurfotografie toch wel een gemis.

architectuurfoto's

Foto: Wimdenijs – ISO 100 · ƒ/13 · 32s · 12mm

Shiften, hoe werkt dat?

Wil je architectuur goed fotograferen, dan ontkom je dus eigenlijk niet aan de aanschaf van minstens één (groothoek)objectief waarmee je kunt shiften. Wat is dat en waarom is dat zo belangrijk …? Bij een shift-objectief kun je de optische groep verschuiven ten opzichte van de sensor. Zo’n objectief wordt tegenwoordig gebruikt als vervanger van de aloude technische camera. Je kunt er niet alles mee wat je met een technische camera kunt, maar wél veel.

Bij architectuurfotografie gebruiken we een shift-objectief vooral om hoge gebouwen te fotograferen zonder dat de verticale lijnen schuin naar elkaar toe lijken te lopen. Zonder shift-objectief krijg je een hoog gebouw alleen maar helemaal in beeld door de camera omhoog te richten (of heel ver achteruit te gaan, maar dat is lang niet altijd mogelijk). Zodra je de camera naar boven kantelt, zie je dat alle verticale lijnen niet meer parallel lopen, maar naar elkaar toe richting een verdwijnpunt. Met een shift-objectief hoef je de camera niet te kantelen, maar kun je die keurig waterpas zetten, net als je zou doen met een technische camera. Vervolgens kun je het objectief omhoogschuiven (shiften), zodat je effectief toch omhoogkijkt en de bovenkant van het gebouw in beeld krijgt zonder dat evenwijdige lijnen gaan wijken.

Dit is niet de enige functie van een shift-objectief. Je kunt zo’n objectief ook gebruiken om de vormweergave van een gebouw te beïnvloeden en om panorama’s te maken. De verhoudingen in een gebouw komen vaak beter tot hun recht als je iets minder perspectiefwerking in de foto hebt. Door omhoog te shiften, verminder je de perspectiefwerking in verticale richting. Maar je kunt dit op dezelfde manier ook horizontaal doen. Panorama’s maak je met een shift-objectief door naar links en rechts te verstellen en de beelden daarna aan elkaar te plakken. Met een gewoon objectief maakt je panorama’s door de camera te verdraaien. Met standaard- of teleobjectieven werkt dat vrij goed, maar bij korte brandpunten gaat het, zeker in een stadsomgeving, al heel snel opvallen dat de horizon en zelfs gebouwen een beetje rond worden. Met een shift-objectief draai je de camera niet, waardoor rechte lijnen mooi recht blijven in de opname.

architectuurfoto's

Foto: 24-hansvanegmond – ISO 100 · ƒ/4.5 · 1/125s · 24.978mm

Je kunt een shift-objectief ook gebruiken om de vormweergave te beïnvloeden en panorama’s te maken

Een shift-objectief is dus een veelzijdig stuk gereedschap als je weet hoe je het moet gebruiken. Tilt-shift-objectieven zijn niet heel goedkoop, maar er is al een 24mm-versie van Samyang te koop voor ruim onder de 1000 euro. Dit is een perfecte brandpuntsafstand om mee te beginnen, en de Samyang is gediafragmeerd tot F 8 of F 11 prima scherp. En dat zijn toch de diafragma’s waarmee je als architectuurfotograaf zult werken. Een tilt-shift-groothoek met een kortere brandpuntsafstand kan ook handig zijn, zeker bij interieurs. Maar zoals bij alle extreme groothoeken krijg je dan toch al snel te maken met extreme perspectieven. Alles wat dichtbij is, wordt overdreven groot weergegeven ten opzichte van de achtergrond, die juist weer overdreven klein is. Verhoudingen raken al gauw zoek als je niet uitkijkt, en gebouwen kunnen er hierdoor weliswaar spectaculair, maar ook onherkenbaar uitzien. Opdrachtgevers stellen veel vervorming daarom lang niet altijd op prijs.

architectuurfoto's

Foto: convust – ISO 200 · ƒ/10 · 1/250s · 19.3mm

Zonder shift, kan dat?

Niet iedere professionele architectuurfoto wordt met tilt-shift-objectieven gemaakt. Als je lijnenspel wilt benadrukken of de aandacht wilt vestigen op de hoogte van een gebouw, kun je ook opnamen maken zonder shift-verstellingen en het perspectief juist benutten. Je kunt dus prima allerlei architectuurfoto’s maken zonder shift-objectief. Maar als je in opdracht werkt, dan is dat maar één kant van het verhaal. De andere kant is het laten zien van de verhoudingen van een gebouw, het spel tussen de verschillende onderdelen en hoe het gebouw zich verhoudt tot de omgeving. Voor een aantal van die foto’s is een shift-objectief eigenlijk onmisbaar.

Toch kun je veel van de mogelijkheden van een shift-objectief ook nabootsen in de nabewerking. In de meeste beeldbewerkingssoftware kun je tegenwoordig met een druk op de knop een gebouw rechtzetten. Dat werkt automatisch vaak best redelijk, en anders kun je het ook handmatig doen. Waarom zou je dat dan niet altijd doen …? Het nadeel van deze manier van werken is dat het heel lastig is om een goede compositie te maken. Tijdens dat rechtzetten wordt een deel van het beeld groter en een ander deel kleiner, waardoor verhoudingen veranderen. Heb je de camera omhoog gericht, dan kantel je het beeld in de nabewerking om een horizontale as. Bovenin worden er pixels bij berekend, terwijl onderin alles krimpt. Als je een flinke groothoek hebt gebruikt, dan ga je onderin snel stukken beeld missen, waardoor je ook nog eens flink moet ‘croppen’. Hierdoor loop je het risico dat je zelfs een deel van de voet van het gebouw moet afsnijden. Bij professioneel werken is dat geen optie.

Bij interieuropnamen speelt dit iets minder, omdat de meeste plafonds ergens tussen de twee en drie meter hoog zijn en je niet zo snel de camera omhoog hoeft te richten. Ook kun je bij interieurs makkelijk ‘tethered’ werken met een laptop, waardoor je ter plekke al een perspectiefcorrectie op je beeld kunt aanbrengen. Hierdoor heb je meer controle over het eindresultaat.

Foto: mytruecolours

Wat heb je nog meer nodig?

Voor beeld van de hoogste kwaliteit is een statief sterk aan te bevelen. Je kunt daarmee trillingvrije en dus maximaal scherpe opnamen maken, ook met langere sluitertijden. Bij opnamen bij zonsondergang of zonsopkomst en in interieurs kun je eigenlijk niet zonder.

Een ander voordeel van werken met een statief is dat dit ideaal is om kleine aanpassingen te maken waar het beeld beter van wordt. En het is een onmisbaar hulpmiddel als je meerdere opnamen wilt maken die je in de nabewerking wilt samenvoegen. Bijvoorbeeld om een hoog contrast te overbruggen met verschillende belichtingen (HDR), of omdat je delen van het beeld met flitslicht hebt ingevuld. Als het nodig is om te flitsen, hoef je bij digitale fotografie niet meer alles in één keer te verlichten. Je kunt met één flitser het effect van bijvoorbeeld vijf flitsers krijgen, gewoon door vijf verschillende opnamen te maken en die later te combineren. Ondanks de extra opnamen werkt dat vaak sneller dan vijf flitsers opstellen, en het scheelt een hoop gesjouw. Het nadeel is natuurlijk dat je wel meer tijd achter de computer moet doorbrengen. Compacte, maar krachtige flitsers met een accu zijn ideaal voor dit soort werk. 

architectuurfoto's

Foto: MarcoMaljaars – ISO 160 · ƒ/8 · 104s · 20mm

Hoe ga je te werk?

Het is prettig als je de juiste apparatuur hebt en weet hoe je die moet gebruiken. Maar uiteindelijk draait het om de inhoud van de foto, en niet om hoe je die maakt. In de architectuurfotografie bestaan twee uitersten. Het ene uiterste is een iconische benadering, waarbij je beelden maakt vanuit de beste hoek en met het mooiste licht, en waarbij je het gebouw echt op een voetstuk plaatst. Vaak gaat het hierbij enkel om het gebouw, en staan er geen mensen of andere dingen op de foto die de aandacht kunnen afleiden. Het andere uiterste is de reportageachtige benadering, waarbij functioneren, bruikbaarheid, leefbaarheid en sfeer vooropstaan.

De iconische manier van fotograferen wordt nog steeds toegepast. Omdat het juiste licht en tijdstip erg belangrijk zijn bij deze beelden, vragen de opnamen vaak veel tijd en een zorgvuldige planning. Dergelijke beelden kunnen ook op de computer worden gemaakt met een zogenaamde ‘render’. Daarmee kan een project optimaal worden weergegeven, met precies de juiste hoek, het juiste perspectief en het juiste licht. Zelfs als daarvoor de zon van een kant moet komen die in de praktijk niet mogelijk is, of als het ideale standpunt van waaruit het gebouw bekeken wordt, zich op tien meter hoogte midden in een ander gebouw bevindt. Het kan allemaal. 

architectuurfoto's

Foto: paulduits65 – ISO 100 · ƒ/11 · 1/160s · 30mm

Uiteindelijk draait het om de inhoud van de foto en niet om hoe je die maakt

Als fotograaf kun je daar moeilijk tegenop. Renders kunnen tegenwoordig zó fotorealistisch zijn dat soms alleen de overdreven perfectie verraadt dat het geen foto is. Wat je als fotograaf wél kunt doen, is laten zien hoe het gebouw in werkelijkheid is, met mensen die naar binnen en naar buiten lopen, en gebruikmaken van looproutes, ruimtes, terrassen en balkons. Laten zien hoe een gebouw er met ochtend-, middag- en avondlicht uitziet, hoe het zich presenteert bij mist en regen. De render is als digitaal middel een concurrent geworden van de architectuurfotograaf. Maar dankzij die digitale middelen kunnen we als architectuurfotograaf ook productiever zijn en een heel brede reportage maken, van overzichtsopnamen tot een reportage van het gebruik en beelden op detailniveau. Dát is de nieuwe architectuurfotografie.

Door de opkomst van social media en de mogelijkheid om ook makkelijk met multimedia en films te communiceren, zullen zaken als time-lapses, hyperlapses en zelfs architectuurfilms ook steeds meer een onderdeel worden van het werk van de architectuurfotograaf. Drones kunnen eveneens een ideaal gereedschap zijn voor de architectuurfotograaf om het verhaal van een project te vertellen. Alleen is vliegen met een drone in stedelijke gebieden op veel plaatsen niet zomaar toegestaan, en dat beperkt de inzetbaarheid.

Met zoveel mogelijkheden is het belangrijk om met een eventuele opdrachtgever door te spreken wat die wil hebben. Welke stijl zoekt die en wat is belangrijk om in de beelden te laten zien? Voor welke overzichten kies je en welke (zicht)lijnen wil je benadrukken? Zorg ook dat ieder beeld méér is dan een registratie, dan een platte weergave van een gebouw of een deel daarvan. Als je een detail laat zien, zorg dan dat duidelijk is waar dat in het gebouw hoort en waarom dat detail belangrijk is. Is dat vanwege het materiaalgebruik, de manier waarop het is toegepast, of een bepaalde manier waarop het bewerkt is? Je kunt je bij architectuurfotografie puur visueel door het gebouw laten leiden. Vooraf weten waar je op moet letten kan echter voorkomen dat je details mist die voor je opdrachtgever heel belangrijk zijn.

architectuurfoto's

Foto: rteirlinck – ISO 200 · ƒ/8 · 1/200s · 24mm

Vrij werk is vrij

Als je niet in opdracht werkt, heb je het in menig opzicht veel gemakkelijker. Nog steeds kan het heel handig zijn om vooraf wat onderzoek te doen om te begrijpen waarom het gebouw is zoals het is, en waarom er gekozen is voor bepaalde oplossingen. Het voordeel is wél dat je bij het maken van vrij werk ook echt vrij bent om alleen opnamen te maken die je zelf mooi vindt. Je kunt ervoor kiezen om enkel die ene opname te maken met zonsondergang en die reflectie van het gebouw in het water, of je verliezen in een serie abstracte detailopnamen.

Of je nu in opdracht werkt of de foto’s als vrij werk maakt, één ding blijft voor iedere architectuurfotograaf gelijk. En dat is dat licht en lijnen je foto kunnen maken of breken. Daarom wordt veel architectuurfotografie bij voorkeur in de ochtend en de namiddag gemaakt. Dan staat de zon lager, is het licht warmer en zijn schaduwen langer, waardoor je een betere vormweergave krijgt. En vergeet niet om, voor je de camera erbij pakt, eens om het gebouw heen te lopen om het helemaal in je op te nemen. Zodat je dat warme licht niet verspeelt aan een hoek die achteraf niet eens de mooiste bleek te zijn …

architectuurfoto's

Het hele artikel bekijken?

Ben je benieuwd naar hoe het artikel er in Zoom 4 uit had moeten zien? We hebben de pdf nog even aangepast en voor je online gezet. De pdf kun je hier vinden.

Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

Tover je tuin om tot fotoparadijs: hoe je dieren naar je tuin lokt en fotografeert

De compositieregels: waarom bestaan ze er eigenlijk?