in

Wildfotografie in Nederland: op fotojacht

Natuurfotografen reizen de hele wereld over om exotische dieren te fotograferen. Maar niet iedereen heeft daarvoor geld en tijd. Gelukkig is er ook in de ‘vrije natuur’ van Nederland genoeg wild te fotograferen, zeker als je een beetje inzoomt en ook kleinere dieren waardeert als foto-onderwerp.

In dit artikel laten we je zien dat je geen verre reizen, exotische dieren, valkenier of dure apparatuur nodig hebt voor goede wildlifefoto’s. Het fotograferen van dieren in het wild vereist wel specifieke vaardigheden. Hoe zorg je er bijvoorbeeld voor dat die ree niet meteen vlucht en vanuit welke richting kun je het beste die fraaie vlinder fotograferen? Vroeg opstaan en een schuiltentje gebruiken zijn slechts twee van de vele opties. 

Uitrusting

Natuurfotografen hechten veel belang aan het materiaal. Altijd sluimert de wens van die ene dure telelens of die gloednieuwe en nog snellere camera. Internetfora, overweldigende advertenties en steeds meer wedstrijden voeden de race naar steeds meer, sneller en beter. Je zou bijna geloven dat je alleen met dure spullen echt mooie foto’s van dieren kunt maken. Terwijl je ook met een tweedehands body en dito statief en (tele)lens en eventueel een tussenringetje (alles bij elkaar pakweg 500 euro) de cover van een tijdschrift kunt halen.

Een complimenteus klinkende opmerking als ‘Wow, wat een mooie foto’s, met welk materiaal fotografeer jij?’ is feitelijk een regelrechte belediging; een schrijver vraag je toch ook niet naar zijn tekstverwerkingssoftware? Goede fotografen maken goede foto’s, om het even welk materiaal ze in hun handen gestopt krijgen. Dat wil niet zeggen dat je uitrusting helemaal niet telt. Beter materiaal maakt meer mogelijk. Je kunt meer onderwerpen aan en alles wordt wat eenvoudiger. Maar het blijft de fotograaf die uiteindelijk de foto maakt, niet de apparatuur.

Welke uitrusting heb je nu minimaal nodig? Dat hangt er helemaal vanaf wat je wilt fotograferen en onder welke omstandigheden. ‘Alles’ is voor bijna niemand weggelegd. Niet zozeer vanwege de investering in spullen, maar vooral vanwege het gesjouw en de tijdsbesteding. Met een specialisatie maak je bovendien eerder foto’s die zich onderscheiden van de middenmoot. Simpelweg omdat je jezelf dan beter kunt ontwikkelen. Grofweg zijn er bij het fotograferen van landdieren twee specialisaties: warmbloedige dieren (vogels en zoogdieren) en koudbloedige, kleine dieren (ongewervelden, amfibieën en reptielen).

Een spiegelreflexcamera (minstens 10 megapixel) en een stevig statief vormen de basis. Voor het fotograferen van schuwe dieren die op afstand blijven heb je een (lange) telelens met een bereik van minimaal 400 mm nodig. Voor (veelal kleine) dieren waar je dichterbij kunt komen is een (macro) objectief met een bereik van 200 mm ideaal, bij voorkeur aangevuld met een losse flitser. Wat betreft brandpuntsafstanden: houd rekening met de eventuele cropfactor van je sensor. Een 400 mm-objectief wordt met een camerabody met een cropfactor van 1.6x dus een 640 mm. Voor natuurfotografie van dieren is dat over het algemeen gunstig.

Foto: Andius

Dichtbij komen

We gaven het al aan: niet de uitrusting maar begrijpen hoe je mooie foto’s maakt, is essentieel. Daarvoor moet je ook weten hoe je dicht bij dieren kunt komen, en dat is vaak niet gemakkelijk. Vrijwel alle dieren hebben een vluchtafstand. Dat is de afstand waarop ze beslissen: nu is het genoeg, ik ben weg. Deze afstand hangt niet alleen af van de soort, maar ook van het individu en de locatie. Dieren die gewend zijn geraakt aan mensen, zijn minder schuw. Denk aan reigers en eekhoorns in een stadspark of aan hagedissen langs een drukbezocht wandelpad. Als natuurfotograaf moet je bij het benaderen van dieren leren omgaan met hun vluchtafstand. Dat doe je door te anticiperen op het gedrag van dieren. Kennis er ervaring helpen je hierbij. In het algemeen geldt: neem de tijd. Probeer de situatie in te schatten; benut de oneffenheden in het terrein zo veel mogelijk als dekking. Zijn er struiken of lage hevels? Verschuil je hier dan achter. En maak je klein, beweeg langzaam en wees zo stil mogelijk – mobieltje uit. Wat betreft de uitrusting: een statief is lastig als je dieren besluipt. Wat ook helpt tegen bewegingsonscherpte is een kortere sluitertijd in combinatie met een hogere iso-waarde. 

Verstoring

Bij het benaderen van dieren liggen verstoring en angst en agressie op de loer. Daar is niks vreemds aan, want dieren worden in de natuur vaak verstoord en vertonen regelmatig agressief gedrag. Ze vluchten voor roofdieren en ze vechten tegen concurrenten. Dit gedrag houdt ze alert en levendig. De hoofdregel is: respecteer het dier en jezelf. Blijf in natuurgebieden op de paden en loop niet zomaar het veld in. Gebruik een lange telelens en respecteer de vlucht- of vechtafstand. Hoe dichtbij je kunt komen, is meestal heel goed te herkennen. Dieren vertonen voordat ze vluchten of aanvallen vaak specifiek gedrag, zoals de oren spitsen, geluid maken, verstijven of je strak aanstaren.

Foto: FrisoMan1

Vogels en zoogdieren

Grote, warmbloedige dieren (vogels en zoogdieren) zijn meestal minder gemakkelijk te benaderen dan kleine, koudbloedige dieren als vlinders, libellen en hagedissen. Met andere woorden: ze hebben een grotere vluchtafstand. Vaak hebben ze ons al in de gaten voordat wij ze zien. Ze horen en zien immers veel beter dan wij. Bij zoogdieren komt daar een verbluffend reukvermogen bij. Zoogdieren zijn in tegenstelling tot vogels vaak ’s nachts actief. Veel soorten komen ook tevoorschijn in de vroege ochtenduren of avondschemering. Vogels en zoogdieren reageren op je silhouet. Door eeuwenlange vervolging en jacht begint bij vogels en zoogdieren instinctief een alarmbel te rinkelen bij het zien van een menselijke gestalte, rechtop met armen en benen. 

Voorkom dus dat de ‘mensgestalte’ zichtbaar is. Maak je zo klein mogelijk of, nog beter, verberg je onder een camouflagedoek of in een schuiltent. Ook camouflagekleding kan helpen, bedek dan ook je gezicht (bijvoorbeeld met camouflagegaas of met een bivakmuts) en handen, want die vallen zelfs over vrij grote afstanden op. Het blijft altijd lastig om lopend in de natuur wilde vogels en zoogdieren te fotograferen. Verstoring is eerder regel dan uitzondering. 

Bedenk dat je (tuin)vogels vaak ook gewoon vanuit je huiskamer kunt fotograferen. Je hebt de situatie dan min of meer in de hand en bij een voederopstelling kun je buiten een complete ‘fotostudio’ inrichten met fraaie stronken of stenen. Let hierbij ook goed op een rustige achtergrond. Dieren die zich ophouden langs wegen en paden zijn meestal auto’s gewend en vluchten niet meer bij het zien van een auto. Ze zijn dus vaak goed vanuit de auto te fotograferen. Vaak is het beter om de dieren naar jou toe te laten komen in plaats van andersom. Dat kan door gebruik te maken van een schuilhut of tent. Dat is over het algemeen de beste methode om vogels en zoogdieren van dichtbij in hun natuurlijke omgeving te fotograferen. Tegenwoordig zijn er op veel plekken in Nederland schuilhutten te huur, kijk maar eens op www.wildernistrek.nl.

Foto: Kaatjewanrooij

Ongewervelde dieren

Vlinders, libellen en sprinkhanen zijn ongewervelde, koudbloedige dieren. Dat wil zeggen dat hun lichaamstemperatuur niet constant is, maar wordt bepaald door de omgevingstemperatuur. Is die laag, dan zijn koudbloedige dieren veel slomer en daarmee gemakkelijker te benaderen dan vogels en zoogdieren. Schuiltenten kunnen achterwege blijven en lange telelenzen zijn geen noodzaak, al kunnen deze wel handig zijn.

Dagvlinders, libellen en sprinkhanen zijn het beste te fotograferen als ze nog helemaal koud zijn, dus in de vroege ochtend, en verborgen zitten tussen de vegetatie. Het loont zeer de moeite om ze op te sporen. Dat kun je leren door eens het veld in te gaan met iemand die hier ervaring mee heeft. Wat ook helpt is om ergens stil te zitten en vanaf die plek stelselmatig alle takjes, bladeren, bloemen en grassprieten af te speuren naar ‘klein leven’.

Vlinders en libellen zijn fotogeniek en niet moeilijk te vinden. Je hebt er alleen windstil en zonnig weer voor nodig. Ook weer niet te heet, want dan blijven ze vliegen zonder ergens te gaan zitten. Op zulke dagen kun je beter wachten tot het minder warm is of tot er wolken voor de zon verschijnen. Heb je een fraai exemplaar gevonden, grijp dan niet meteen naar de camera, maar observeer eerst een tijdje het gedrag. Veel libellen komen bijvoorbeeld steeds terug op dezelfde plek. Vaak is dat het uiteinde van een takje of een andere hoge post van waaruit ze hun omgeving in de gaten houden. Daar kun je als fotograaf handig op inspelen door je statief en lens te richten op zo’n vaste zitpost. Daarbij kun je in alle rust bepalen wat je op de achtergrond wilt hebben.

Zoals alle insecten hebben vlinders en libellen facetogen met een blikveld van 360 graden. Ze reageren vooral op beweging. Beweeg je tijdens de fotojacht dus rustig en langzaam door het terrein en voorkom dat je schaduw op de dieren valt. Laat je niet te snel ontmoedigen als ze voor je wegvliegen. Vaak wennen ze na een tijdje aan je gestalte in het veld en zijn ze gemakkelijker te benaderen.

Foto: Yemrev

Reptielen en amfibieën

Reptielen zijn warmteminnaars die pas actief worden bij temperaturen vanaf 17 ˚C. Voor reptielen geldt: hoe warmer, hoe sneller en beweeglijker. Je kunt ze dus het beste benaderen in de ochtend of namiddag, als het niet te warm is. Reptielen kunnen over het algemeen goed zien en zijn zeer gevoelig voor trillingen van de grond. Het menselijk silhouet schrikt sommige soorten niet af, omdat ze vertrouwen op hun schutkleur. Hoe trager je beweegt, hoe dichterbij je kunt komen. Let ook op dat je sluipenderwijs je voeten heel zachtjes neerzet, om trillingen te voorkomen.

Amfibieën zijn voornamelijk ’s nachts actief. Ga zoeken op niet te koude avonden met weinig wind en wat motregen. Om amfibieën in het donker te fotograferen heb je in ieder geval een zaklamp, een (macro)flitser en laarzen nodig. Begin er niet aan als je bang bent in het donker of ga dan met anderen. Let op: door je rondzwaaiende zaklamp ben je op grote afstand te zien en in de meeste natuurgebieden mag je ’s nachts niet komen.

Reptielen en amfibieën zijn vaak lastig te vinden. Veel soorten komen voor in natuurterreinen die kwetsbaar zijn voor verstoring. Dan is het beter om niet zelf te gaan zoeken, maar je aan te sluiten bij een excursie of een workshop bij een specialist te boeken. 

Foto: Beitske

De beste plekken: 6 tips voor zomer en najaar

1. Je eigen tuin als fotoparadijs

Je eigen achtertuin is prima geschikt om op macrosafari te gaan. Zeker als je een ‘wilde’ tuin hebt met een vijver (trekt libellen aan). Vanaf het najaar kun je ook vogels naar je tuin lokken door ze te voeren. Plaats er een schuiltentje bij of fotografeer vanuit een schuurtje in je tuin. Zelfs door het glas van je woonkamer kun je prima foto’s maken, juist omdat vogels snel wennen aan bebouwing en beweging achter glas.

2. Insecten: waterkant of bosrand

Niet het bos maar de bosrand, niet de sloot maar de slootkant, niet het weiland maar de berm. De meeste dieren in Nederland leven niet in het gebied, maar aan de rand. Hier heb je hoge en lange vegetatie, zon en schaduw. Precies wat kleine dieren nodig hebben: dekking en schuilplekken. In de zomer kun je er gemakkelijk vlinders, libellen en sprinkhanen vinden.

3. Drukke plekken

Op een doodstille plek middenin de ongerepte natuur fotograferen? Vergeet het maar in Nederland. Als het je al lukt zo’n locatie te vinden, mag je vaak niet van het pad af. Maar dat is het niet alleen: meestal zie je er vreemd genoeg weinig dieren, ze zijn schuw omdat ze hier geen mensen zijn gewend. Op plekken waar vaak mensen komen, zijn dieren hieraan gewend geraakt en vluchten niet meer weg, je kunt veel dichterbij komen en bovendien verstoor je niet.

4. Vogels fotografeer je op Texel

Texel is hét vogel-fotoparadijs van Nederland. Er zijn veel vogels, ze zijn mensen gewend en laten zich vaak redelijk dichtbij fotograferen. De zomer is een prima periode, de meeste vogels hebben jongen en zijn nog bezig met voeren. Bezoek de Slufter (vrij toegankelijk) en ga naar de kleine vogelparadijsjes aan de kant van de Waddenzee, het reservaat Wagejot is misschien wel de beste plek.

5. Reeën en edelherten

Augustus is de maand dat reeën elkaar het hof maken. Vooral de mannetjes zijn dan hoteldebotel en minder schuw. Reeën leven vooral in bosgebieden met open plekken en weilanden. Het beste blijf je in de auto of verstop je je in de bosrand, als je stil zit (van de wind af) komen ze soms heel dichtbij.

Edelherten kun je in september op de Veluwe niet missen. De wildbaan is vanaf 15 uur de beste plek, maar je bent niet de enige en zult genoegen moeten nemen met honderden collega-fotografen. Maar ach, het is best gezellig, de herten komen lekker dichtbij en je verstoort ze niet (dat doe je wel als je op eigen houtje zomaar ergens het terrein in gaat).

6. Reptielen

September en oktober zijn misschien wel de beste maanden om reptielen te fotograferen. Het is overdag niet te warm en er zijn jonge dieren aanwezig, die minder schuw zijn. Op de grote heidevelden van de Veluwe komen, behalve de muurhagedis, alle Nederlandse soorten voor. Zoek vanaf de bestaande paden, op een zonnige niet te warme dag in de ochtend kleine open plekjes af. 


Mis niks met de wekelijkse Zoom.nl nieuwsbrief!

E-mailadres

Beginnen als trouwfotograaf: zo bouw je een portfolio op

Sony FE 16-35mm f/4